De pijn van het verleden

Donna staat tussen de mensen in het vochtige gras en haar ogen zoeken Seth. Hij staat naast een man in het zwart, Donna gokt dat het de dominee is. Ze is niet aan hem voorgesteld. Ze is aan niemand voorgesteld.
Achter Seth ziet ze de man die ze eerder bij hem zag. Die avond van het feest, ze waren samen in de schuur. Naast hem staat een vrouw in een lange jurk. Ze draagt er een lang vest overheen. Rond haar hoofd zit een kleurige doek. Ze herkent de vrouw van de foto die ze aan Zoë gaf. Drie mensen die bij elkaar lijken te horen. Zoë ziet ze niet.
De dominee spreekt zacht. Mooie woorden over de dode vrouw in de kist boven het gapende gat. Donna hoort flarden, maar ze dringen amper tot haar door. Ze kijkt naar Seth. Hij staat rechtop, zijn hoofd omhoog en zijn handen op zijn rug. Ze ziet een spiertje trillen in zijn kaak en er loopt een rilling over haar rug als ze het donkere in zijn ogen ziet. Ze kan zijn pijn voelen en wil hem troosten. Hij staat het haar niet toe. Ze voelt zijn pijn, maar hij wil het niet met haar delen. Het is zijn moeder. Donna heeft haar niet mogen kennen.
Naast haar verschijnt Jacob. Hij pakt haar hand en knijpt er even in. Ze knikt. Het gaat goed, Seth zal het haar vertellen. Hij zal haar over zijn moeder vertellen en zijn pijn zal loskomen zodat ze hem kan troosten. Ze weet dat hij haar nodig heeft, nu nog meer.

Er spreekt niemand anders dan de dominee. Het zijn woorden die Donna al zo vaak gehoord heeft.
‘Veel te vroeg, te jong…’
De rest van de woorden verdwijnen in de kille wind. Geen mooie dag om de doden te begraven. Jacob zou het zeggen, normaal gesproken, bij een onbekende dode. Nu zegt hij niets. Ze had hem willen helpen toen het lichaam van de vrouw werd gebracht. Het was haar enige kans om de vrouw een beetje te leren kennen. Seth had zijn hoofd geschud. ‘Ik doe het zelf Putta.’
Donna zag hoe Jacob en Albert elkaar aankeken om dat woord en ze kreeg het warm. Het is niet wat zij denken. Ze is trots op die naam. Seth heeft hem voor haar gekozen en hij past bij haar. Ze vindt het niet erg dat hij haar naam gebruikt als er anderen bij zijn. Donna bestaat niet als Seth bij haar is.
‘… een goede reis, Lisi Manuputty.’
De woorden dansen langs haar en met een schok schiet haar hoofd omhoog. Ver weg kent ze de naam. Ze heeft hem eerder gehoord. Weer zoekt ze Seth en zijn brandende ogen kijken naar haar. Ze verdrinkt erin en verliest even haar evenwicht als zijn ogen haar weer los laten. De kist zakt langzaam in het gat in de grond. Seth doet een stap naar voren. Donna ziet zijn lippen bewegen. Woorden die bestemt zijn voor zijn moeder en die niemand anders hoeft te horen. Hij negeert het metalen schepje dat hem wordt aangereikt en pakt met zijn handen donkere aarde van de berg naast het graf. Donna probeert te lezen wat zijn lippen zeggen. Het lukt haar niet.
De dominee spreekt van een samenzijn in de kleine aula waar koffie klaarstaat en de gelegenheid is om de familie te condoleren. Seth blijft bij het graf staan. Donna verroert zich niet.
Jacob pakt haar arm. ‘Ga je mee Donna?’
Ze schudt haar hoofd. ‘Ik blijf bij Seth.’
‘Misschien wil hij even alleen zijn.’
‘Ik blijf hier.’
Jacob knikt. ‘Wat je wilt Donna.’

Mensen verwijderen zich. De warmte die hun lichamen op haar afstraalde verdwijnt en Donna voelt nu echt hoe kil de buitenlucht is. Ze kijkt naar Seth en wacht. Hij blijft lang staan, met zijn handen op zijn rug. Zijn verdriet voegt zich bij de kille atmosfeer en kruipt in haar lichaam. Ze huivert. Als hij haar plotseling aankijkt is het alsof er in haar borst een blok ijs verpulvert. Het vuur in zijn ogen is niet verdwenen en verjaagt de kou in haar lichaam. Als dikke stroop voelt ze het door haar lijf vloeien en haar buik begint te gloeien. Met een minimale beweging van zijn hoofd maakt hij haar duidelijk dat ze bij hem moet komen en ze gaat naast hem staan. Hij pakt haar pols, klemt zijn vingers eromheen. Zijn stem is schor.
‘Nu is er niemand meer Putta. Alleen jij en ik.’
Ze knikt. Het is hoe ze het wil. Hij zal niet meer bij haar weggaan. Nooit meer.
Nog even kijkt hij naar de kist in het open graf, dan trekt hij haar mee. ‘Kom Putta.’
Hij loopt de verkeerde kant op, weg van de aula. Ze wil blijven staan en hem zeggen dat de mensen hem verwachten. Hij sleurt haar mee. Langs de vijver en onder de grote treurwilg door, naar de andere kant van de begraafplaats, waar de vergeten graven liggen. Ze herkent de plek. Hier ligt het graf van haar vader en moeder. Voor altijd samen, tot in de dood. Seth weet het niet. Hij kan het niet weten. Ze kan zich niet herinneren dat ze het hem heeft vertelt. Toch blijft hij precies daar staan. Ze ziet de glanzende steen en leest de namen van haar ouders. Seth duwt haar dichter naar het graf. ‘Jouw ouders Putta. Dood en koud. Vele malen doder dan mijn moeder.’
Donna stamelt. ‘Hoe weet je … ik heb je nooit verteld dat ze hier liggen.’
Seth lacht een beetje honend. ‘Als je weet waar je moet zoeken is alles te vinden. Je had het me moeten vertellen. Het is onderdeel van jou en daardoor van mij.’
‘Ze zijn dood.’
‘Precies, net zoals mijn moeder, maar doder. Vergeten door jou. Je bent ze onwaardig. Goed genoeg voor mij, mijn Putta. Niet meer dan dat.’
Hij staat dicht achter haar en pakt haar bij haar haren. ‘Jij had alles en je gooide het weg. Je wilde het niet.’
Zijn hand glijdt onder haar jurk en hij trekt aan de panty. Donna probeert zijn handen weg te duwen. ‘Hou op Seth! Je moet naar de aula, de mensen … Ze zullen zich afvragen waar je blijft.’
Hij trekt steviger aan haar haren en ze voelt de stof van haar panty scheuren. ‘Ik ben waar ik moet zijn Putta. Onze ouders zijn dood. Jij gooide weg wat al die tijd van jou is geweest. Je hebt gehoerd en gesloerd en het heeft je hier gebracht. Bij mij. Wat van jou is, is nu van mij. Je bent mijn hoer, mijn sloerie.’
Donna hijgt en worstelt om bij zijn handen weg te komen. In haar buik brandt het en ze voelt dat ze vochtig wordt onder zijn hardhandige vingers. Seth lacht en duwt zijn vingers langs de gescheurde stof bij haar naar binnen. Hij laat haar haren los en ze valt voorover, met haar handen op de gladde grafsteen. Zijn handen trekken de rok van haar jurk omhoog en ontbloten haar billen. Ze hoort hem hijgen. ‘Ik denk dat vader trots op je zou zijn Putta. Je bent geworden wat hij graag wilde zien in een vrouw.’
Ze schudt haar hoofd en probeert overeind te krabbelen. Seth duwt haar terug en opent de gulp van zijn broek. De metalen letters op het graf duwen pijnlijk in haar handen en ze ademt gejaagd. ‘Nee Seth, niet doen. Niet hier.’
Ze kreunt als hij diep in haar stoot en haar gezicht dichter tegen de grafsteen duwt. ‘Juist hier Putta. Waar ben je bang voor? Ik ben geworden zoals mijn vader, jij als mijn moeder. Mijn vader stuurde haar weg, maar ze kwam terug wanneer hij haar riep. Zoals jij altijd bij mij terug zal komen. Wat ik ook doe en wat ik ook zeg. Je kunt niet zonder mij. Je zal nooit meer hetzelfde zijn zonder mij, precies zoals mijn moeder nooit meer hetzelfde was na mijn vader.’

Zijn stem praat hijgend, in het ritme van de stoten die hij in haar lichaam doet. Donna begrijpt zijn woorden niet. Zijn vader is dood, al heel lang. Ze jammert een beetje als hij haar weer aan haar haren trekt en vergeet de harde grafsteen onder haar knieën. Ze vergeet de omgeving en de mogelijkheid dat mensen hen zullen zien.
‘Hij ging dood Putta.’
Hij verdwijnt uit haar en stoot zich weer naar binnen. Ze gilt zacht en hij legt zijn hand tegen haar mond.
‘Hij liet mij en mijn moeder achter.’
Nog een stoot.
‘Niemand mocht het weten.’
Weer verdwijnt hij en zijn hand vult de plaats op. Het scherpe branden wat hij haar eerder liet voelen verspreidt zich razendsnel door haar onderlichaam.
‘Jij had het kunnen weten.’
Donna voelt zijn vingers. Drie, vier. Hij rekt haar uit en ze hapt snakkend naar adem als hij zijn hand wegtrekt, met zijn heupen tegen haar billen stoot en haar weer opvult. Seth knijpt haar neus dicht.
‘Ze hield van je Putta. Ze is altijd van je blijven houden. Ze was jouw moeder. De enige echte moeder die je hebt gehad.’
Donna probeert zijn woorden vast te pakken, maar ze wordt licht in haar hoofd door het gebrek aan zuurstof en de harde stoten die hij in haar buik maakt. Pijn vermengt zich met angst en genot. Ze weet niet wat zijn woorden betekenen. Ze heeft het gevoel dat ze zou moeten weten wat ze betekenen.
Hij blijft verbeten in haar bewegen en ze worstelt, probeert zijn vingers bij haar gezicht weg te trekken. Met iedere stoot duwt hij haar steviger tegen de grafsteen en zijn handen glijden rond haar nek. Stevig drukken zijn vingers in haar huid.
‘We eren onze ouders Donna. Onze moeder, onze vader. Ik ben de heilige zoon. Ik had er nooit mogen zijn, maar ik ben er toch en jij bent nu van mij. Voor altijd. Zoals het voor onze ouders had moeten zijn, voor mijn moeder en voor mij.’
Er verschijnen zwarte vlekken voor haar ogen en lichtflitsen. Haar gevecht neemt af en ze voelt hem in zich bewegen terwijl zijn vingers de lucht uit haar longen duwen. Hij hijgt in haar oor.
‘De lucht die je inademt is van mij, jouw hart klopt voor mij. Wij samen zijn de verbinding en onze vader leeft voort in ons, niet in jouw, niet in mij, maar in ons. Zonder ons is er niets anders meer.
Donna maakt gorgelende geluiden. De kilte om haar heen is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de hitte van zijn bewegingen en zijn onbegrepen woorden. Plotseling verschijnt het gezicht van Baboe op haar netvlies. Haar mond beweegt en haar ogen kijken liefdevol op haar neer. ‘Je bent mijn nona. Je zult altijd mijn nona zijn.’
‘Mijn Putta, mijn hoer. Voor altijd. Van mij. Van mij …’
Hij kreunt diep en ze voelt zijn hitte in haar buik stromen. Zijn handen laten haar hals los en een stoot zuurstof schiet naar haar hoofd en daarmee stromen de tranen uit haar ogen.

Ze ziet haar vader liggen in zijn moestuin en de angst in zijn ogen. Ze ziet haar moeder stil in het grote bed. Ze ziet Baboe en haar vader. Het leer van zijn riem rond haar nek en de uitpuilende ogen. Ze ziet het kleine jongetje verstopt in de schaduw onder de trap. Hij kijkt haar aan en ze ziet de ogen van Seth. Ze vlucht weg als ze de kamerdeur van mevrouw Tan open hoort gaan. Het jongetje wordt door mevrouw Tan opgetild en gekoesterd. Vriendelijke, sussende woorden.
‘Kom maar kleintje. Het is niet jouw schuld. Wat je vader doet is rechtvaardig, maar niet voor jouw ogen en oren bestemt. Jouw moeder moet gestraft, ze is een hoer en een slechte vrouw, maar jij kan nog gered worden. Ik zal je helpen.’
De woorden sterven weg. De kamerdeur valt dicht en Donna ziet zichzelf op de plek van het jongetje gaan zitten. Ze kijkt door de op een kier staande deur en ziet haar vader en Baboe. Het zijn de beelden die ze eerder heeft gezien en beelden die Seth haar heeft laten ervaren. Ze hoort het geluid van het leer op de naakte huid en ziet de beweging van haar vader tegen het naakte lichaam van Baboe. Haar ogen zijn open en ze heeft een wazige glimlach rond haar lippen. Haar vader zweet en laat keer op keer de dunne zweep op  de billen van Baboe vallen. Het leer van de riem staat strak om haar hals, toch ziet Donna haar borst snel op en neer gaan. Ze is er wel, maar toch ook weer niet. Haar vader kreunt als hij zich de toegang tot het stille lichaam verschaft en Donna klemt haar pop tegen zich aan. Ze vraagt zich af wie de kleine jongen is en wat hij hier doet. Ze vraagt zich af wie zijn moeder is en waarom ze een slechte vrouw is.
Baboe begint zacht te kermen terwijl haar vader onafgebroken zijn onderlichaam tegen haar billen duwt. Donna duwt verschrikt haar handen tegen haar oren als uit de kamer van mevrouw Tan een klein kind erbarmelijk begint te huilen.

Show Buttons
Hide Buttons