Hongerig

Waar Seth gaat is zij, ze volgt hem, wordt wakker als hij zijn ogen open doet en uit bed gaat, stapt bij hem onder de douche. Zijn aanwezigheid omvat haar hele wereld en is zo groot dat er geen ruimte is voor iets anders. Voor het eerst sinds ze voor Jacob en Albert werkt, meldt ze zich ziek. Jacob denkt het te begrijpen en zegt dat ze rustig aan moet doen en haar tijd moet nemen.
‘Soms is het nodig Donna, het leven kan vreemde sprongen maken.’

Haar leven maakt geen vreemde sprongen, niet meer en op dit moment wil ze alleen maar bij Seth zijn. Hij zegt dat ze aan het werk moet gaan, maar stuurt haar niet weg. In plaats daarvan neemt hij haar mee naar het huis van zijn moeder waar ze samen haar spullen in kartonnen dozen stoppen en naar het huis brengen. Haar geschiedenis vermengt zich met die van Seth.
Ze ziet foto’s. Seth als opgroeiend jongetje, ogen die nieuwsgierig de wereld in kijken. Ze ziet ook baboe, haar gezicht is niets veranderd. Zachtaardig, liefdevol en warme ogen. Het gezicht dat Donna het liefst voor zich ziet als ze aan haar denkt. Veel liever dan het andere gezicht dat ze zich ook herinnert. Vol donkere, verwrongen wellust, dierlijk en geil zonder ruimte voor spijt, sentiment en andere gedachten. Vergelijkbaar met hoe Donna zich nu voelt, al zijn deze gevoelens niet donker. Wel wellustig, hongerig en geil. Het brandt in haar lichaam en kolkt in haar bloed.

Ze hunkert naar Seth, smacht naar zijn handen en lichaam en claimt zijn aandacht waar hij ook is. Hij is het haar verschuldigd en ze weet dat hij het weet, hij geeft haar echter niets. Na die rituele reiniging in de tuin, raakt hij haar enkel nog aan als ze gaan slapen. Zijn vingers bij de sierraden in haar lichaam is het enige dat hij haar geeft en het is niet genoeg, ze snakt naar meer en het kan haar niet schelen op wat voor een manier hij het haar wil geven, zolang hij het maar doet. Pijn jaagt haar geen angst meer aan. Het is een middel geworden om haar hoofd rustig te krijgen en de lust in haar lichaam verder aan te wakkeren. Ze heeft het nodig.
Seth negeert haar. Hij staat toe dat ze om hem heen draait, dat ze hem vleit, zelfs dat ze hem uitdagend streelt. Zijn ogen vertellen haar dat hij weet wat ze van hem wil, zijn lachje laat haar weten dat ze het niet gaat krijgen. Hij bepaalt of en wanneer hij haar verlangen beantwoordt en hoe langer het duurt, hoe feller en onbeheerster de vlam in haar binnenste groeit.

Het enige dat ze zeker weet is dat hij die vlam uiteindelijk weer zal blussen. Wat dat betreft is hij als ieder andere man. Mannen zijn gewoontedieren en als ze eenmaal een gewoonte hebben, dan leren ze die niet snel meer af. Hij zal haar weer opeisen en hij zal haar weer nemen, op wat voor een manier dan ook.

Ze bladert door de fotoboeken en ziet Seth opgroeien. Een peuter met een bol buikje en kromme, mollige beentjes. De eerste stapjes, eerste fiets. Foto’s met zijn familie waarvan ze sommige gezichten herkent. Een puber met brutale, donkere ogen die haar binnenste weten te raken. Ze is blij dat ze het nu pas weet, dat ze niet met hem opgroeide, als broer en zus, naast elkaar. Het had nooit kunnen zijn wat het nu is.

Ze schrikt als Seth met een harde plof een grote doos naast haar neer zet. Hij pakt het fotoboek van haar schoot en doet het dicht. ‘Kom Putta, we gaan naar huis.’
De kleine woning raakt leger en leger. Nog een dag, misschien twee en dan heeft hij alle spullen van zijn moeder opgeruimd of een nieuwe plek gegeven. Bij familie of in het grote huis van haar vader.

‘Sprak ze wel eens over mij Seth?’
Hij zet de doos in de achterbak van de auto en kijkt haar aan. ‘Heel vaak.’
‘Hoe dan? Noemde ze mij jouw zus?
‘Nee, ik geloof niet dat ze je ooit zo genoemd heeft. Je was altijd haar nona en je hoorde bij ons, maar je bent mijn zus niet. Ik zal jou nooit als mijn zus kunnen zien!’
Hij verheft even zijn stem, zwijgt en begint met een verbeten trek op zijn gezicht de dozen in de achterbak te verschuiven. Het is de eerste keer dat het woord weer genoemd wordt. Zijn zus, halfzus. Hij is haar broer. Zo voelt het niet. Ze weet niet hoe het zou moeten voelen. Ze heeft nooit een broer of zus gehad en het verlangen heeft nooit in haar geleefd. Ze was te druk met onzichtbaar zijn, niet gezien te worden door haar vader en alle verborgen monsters in het huis.

*

Na een paar dagen merkt ze dat hij onrustig wordt, de blik in zijn ogen wordt donkerder en hij verschuilt zich in de schuur en in zijn werkkamer, waar ze hem soms tot diep in de nacht hoort telefoneren. Ze durft hem niet te storen en verschuilt zich in de keuken. De keren dat ze hem toch stoort om hem wat te eten of te drinken te brengen stuurt hij haar met samengeknepen lippen weg.
Dat wat zij nu ook weet blijft onuitgesproken tussen hen in hangen en haar twijfels slaan weer toe.

Wat als het altijd tussen hen in blijft staan. Wat als hij haar wel zo ziet, zijn zus. Een vrouw die hij nooit meer zal mogen bezitten. Wat als het alles kapot heeft gemaakt. Ze kan niet meer terug naar het niet weten. Ze kan nooit meer terug.

Zijn luide, geërgerde stem komt boos haar kant op waaien en doet haar verschrikt opspringen.
‘Putta!’
‘Hier Seth …’
‘Wat doe je? Heb je nou echt niets beters te doen, Je wordt lui en als ik ergens een hekel aan heb … Morgen ga je weer aan het werk en je zorgt dat je in beweging komt, je begint ronder te worden.’
Automatisch laat ze haar handen langs haar heupen glijden en ze kijkt hem verbaasd aan.
‘Niet, ik heb geen aanleg om …’
‘Ik zie het toch Putta en niet alleen je heupen.’
Hij pakt haar bij haar polsen. ‘Of is er iets dat je me moet vertellen …’
Ze trekt zich los. ‘Nee, natuurlijk niet! Dat zou pas echt …’
Geschrokken doet ze haar mond weer dicht.
‘Dat zou wat, Putta … Slecht zijn? Zondig?’
Donna schudt haar hoofd. ‘Onverstandig … voor ons. Jij en ik … Jij wilt helemaal geen kind!’
Seth duwt haar tegen de keukentafel. ‘Ik heb nooit gezegd dat ik geen kind wil.’
‘Jawel, je zei dat …’
Zijn handen glijden via haar buik, naar haar borsten en in haar hals, met zijn duimen duwt hij haar gezicht naar achteren en hij gaat met zijn lippen langs haar huid. Hij fluistert.
‘Ik heb gezegd dat je het waard moest zijn en dat is nog niet het geval.’

Hij zuigt aan haar huid en zet zijn tanden in haar nek. Het gevoel trekt in een tergend langzame schok door naar haar tepels en haar kruis. Het is of haar huid kraakt en breekt en ze wacht op het brandende gevoel dat volgt wanneer er wondjes ontstaan. Het komt niet en hij laat haar weer los. Met een vreemde blik in zijn ogen geeft hij haar een verfrommeld stukje papier.

‘Het adres van mijn Boeng Minggus en zijn vrouwen. Morgenavond eet je daar.’
‘Waarom?’
‘Omdat Minggus dat zo wil. Nu mijn moeder er niet meer is vindt hij dat hij zich met mijn leven moet gaan bemoeien.’
‘En jij?’
‘Ik moet een paar dagen weg.’
‘Waar naar toe?’
‘Dat gaat je niets aan Putta.’
Hij loopt weer richting zijn werkkamer, Donna volgt hem, nerveus.
‘Wanneer ga je weg?’
‘Morgenvroeg.’
‘En wanneer kom je terug?’
Met de klink van de deur in zijn hand kijkt hij haar aan.
‘Ik kom terug wanneer ik terugkom. Maak je klaar om te gaan slapen.’
‘En jij?’
‘Hou op met al die vragen Putta. Ik kom zo, zorg dat je nog wakker bent.’

Hij doet de deur dicht en laat haar staan. Bijna automatisch doet ze wat hij heeft gezegd. Ze poetst haar tanden en maakt haar gezicht schoon. In haar hals zit een grillige, donkerrode vlek. De afdruk van zijn mond en zijn tanden. Het is gevoelig als ze er met haar vingers langsgaat en veroorzaakt dezelfde sensatie als eerder. Een langgerekte, elektrische schok naar haar tepels en haar kutje.
Haar twijfels zijn weer verdwenen. Hij gaat weg, maar niet zonder haar te laten voelen dat ze nog steeds de zijne is.

Show Buttons
Hide Buttons