Zonder einde of begin

Terwijl ze een beetje doelloos door het huis dwaalt, merkt ze weer hoe de sfeer veranderd nu Seth weg is. Het wordt killer, zoals ze het zich herinnert van vroeger, niet helemaal, maar het komt dichterbij. Seth maakt het hier levendig en warm. Ze liep er altijd voor weg, waar en met wie ze ook was. Het gevoel stond voor haar gelijk aan burgerlijk en vooral dodelijk voor iedere vorm van passie. Nu moet ze aan zichzelf toegeven dat niets minder waar is. Seth is haar thuis, hier en overal. Het had niemand anders kunnen zijn.

Bij de deur van de kelder blijft ze weer staan. Hoe wist hij dat dit haar zo zou raken? En waarom is dat zo? Ze is er nooit nieuwsgierig naar geweest. Ze heeft er zelfs nog nooit over gefantaseerd, maar met Seth …? Maakt dat haar onderdanig?

Bijna misprijzend schudt ze haar hoofd. Dat heeft er helemaal niets mee te maken en het beeld dat bij dat woord in haar hoofd verschijnt, past niet bij haar.

Met haar rug tegen de deur laat ze zich naar de grond zakken. Het hout voelt bijna warm tegen haar huid, maar de vloer onder haar naakte billen is koud en het duurt lang voor haar lichaam de plek een beetje weet te verwarmen. Niet zo lang als daar beneden op het beton.

Voor de zoveelste keer kijkt ze naar de foto en ze probeert het moment terug te halen. Alles, de pijn, haar woede, iedere emotie. Het was een achtbaan. In haar lichaam en vooral in haar hoofd. Tot het vreemde moment dat het allemaal samen leek te komen. Alsof ze in een warm bad werd ondergedompeld. Alsof ze opsteeg. Zonder angst, pijn en twijfels. Alleen maar het allesoverheersende gevoel dat ze precies op haar plek was, veilig en geliefd.

Ze duwt zichzelf weer omhoog. Seth heeft gelijk. Wat hij met haar doet kan overal en altijd. Zijn aanwezigheid alleen is genoeg. Zijn afwezigheid is ook genoeg. Ze weet dat hij terugkomt. Toch voelt ze zich eenzaam, verlaten en incompleet. Was dat voor Baboe ook zo? Kwam ze daarom terug?
Haar vader stuurde haar weg, maar Baboe trotseerde hem en kwam terug.

Omdat ze zich incompleet voelde? Kan dat zo sterk zijn dat je je niet weg laat sturen?

Seth wil dat ze leest. Hij wil dat ze begrijpt waarom en hij wil dat ze zijn moeder leert kennen. Donna wil haar leren kennen en ze weet niet goed waarom ze toch aarzelt als ze naar boven loopt en de kist met boeken opent. Het hout ruikt warm en er stijgt een wat kruidige geur omhoog als ze de eerste boeken er weer uit haalt. Het zijn er teveel en ze liggen door elkaar. Donna wil het verhaal vanaf het begin lezen, niet in scenes met grote sprongen in de tijd. Ze wil weten waarom.

Donna opent de schriften en boeken. Sommige kaften liggen los, waardoor pagina’s ook los dreigen te raken en nog meer wanorde veroorzaken. Ze zoekt op datum, leest toch korte aantekeningen. Meisjesdromen van een nog hele jonge Baboe, dan weer de moederlijke aantekeningen over haar zoon. Ze leest ook beschrijvingen van wat haar Heer haar liet doen en het zijn vooral die beschrijvingen die Donna’s bloed heet door haar lichaam jagen. Ze schudt haar hoofd. Bij het begin. Ze wil bij het begin beginnen.

Beneden in de keuken zet ze water op voor thee en terwijl ze wacht tot het water kookt, zoekt ze een schaar en plakband om de schade aan de schriften te repareren. Haar hart maakt een verhitte duikeling als de beltoon van Seth haar uit haar gedachten haalt. Zijn zachte lach jaagt haar eenzaamheid weg.

‘Wat ben je aan het doen, Putta? Ben je naakt?’

Ze leunt tegen het aanrecht een laat haar vrije hand over de warme huid van haar borsten glijden. Het gevoel van haar vingers wordt versterkt door zijn bijna fluisterende stem.

‘Maak jezelf klaar. Laat me horen hoe je komt. Ik wil het voor me kunnen zien.’

Donna streelt zichzelf, niet voorzichtig, maar dwingend, zoals zijn vingers kunnen doen en ze voelt hoe het vocht tussen haar benen toeneemt door zijn woorden.

‘Ik zie je nog voor me Putta en het vuur in je ogen maakte dat ik je het liefst meteen had genomen zonder rekening te houden met jouw verontwaardigde kreten. Want wat was je boos en wat was je vreselijk geil. Wat waren je tieten prachtig paars en je kut schraal van wat mijn hand met je deed. Dat was fijn, toch, Putta? Maak jezelf klaar. Denk aan wat ik nog meer met je kan doen en wat ik je kan laten voelen. Denk aan wat je ooit in die kelder zag en hoe dat naar jou toe is gekomen. Voel van wie je bent.’

Zinderende schokjes trekken door haar trillende dijen naar haar buik. Haar vingers gaan sneller, dieper, ze hijgt.

‘Ik ben jouw Heer en Meester en ik wil dat je komt. Nu. Kom. Nu. Putta …’

Ze komt. Niet door haar eigen vingers, maar door zijn woorden en met ingehouden adem laat ze het zoete genot door haar lichaam stromen. Pas als de laatste schokjes wegebben, hapt ze met een diepe zucht weer naar lucht. Seth lacht.

‘Tot snel Putta.’

Donna duwt haar telefoon tegen haar oor, alsof ze zo kan voorkomen dat hij verdwijnt, maar hij verdwijnt toch en neemt de hitte met zich mee. Weer laat hij haar achter met een diep verlangen naar nog meer van alles wat alleen maar hij haar kan laten voelen.

Ze aarzelt en probeert het gevoel vast te houden terwijl ze een kop thee klaarmaakt. Wat zei hij?

‘Denk aan wat je ooit in die kelder zag en hoe dat naar jou toe is gekomen.’

Ze zag haar vader en Baboe en ze begreep het niet. Ze begrijpt het nog steeds niet. Het kan niet hetzelfde zijn. Seth houdt van haar. Haar vader was alleen maar hard en zat zo vol diepe haat en donker egoïsme dat er geen ruimte was voor liefde. Niet voor Donna en Seth. Niet voor zijn vrouw en ook niet voor Baboe.

Het kan niet hetzelfde zijn.

Wat als het toch hetzelfde is?

Gejaagd gaat ze weer naar boven. Ze laat haar thee koud worden terwijl ze orde brengt in de volgeschreven schriften. Het handschrift van Baboe komt tot leven en plotseling ziet ze alleen nog de woorden die bewijzen dat het wel hetzelfde is. Woorden die langzaam het beeld dat ze van haar vader heeft, doen vertroebelen.

Donna telt de schriften. Negenenveertig. Net geen vijftig. Negenveertig schriften. Duizenden zinnen die haar gaan vertellen wie Baboe was en waarom zij wel in staat was om van Donna’s vader te houden tot ver over de grenzen van het aanvaardbare.

Onderin de kist liggen enveloppen en de kruidige geur uit de kist wordt sterker als ze er eentje opent. Iets wat op een stukje zacht hout lijkt, valt eruit. Het materiaal is nog buigzaam, maar bijna zwart en verraad niets van zijn oorsprong. Een wortel? En die kleine, ronde zaadjes? Peper? Waarom zit dat ook in de kist?

Voorzichtig haalt ze de dubbelgevouwen papieren uit de enveloppe en tot haar verbazing valt er een oude foto uit. Ze herkent de werkkamer van haar vader. Op het bureau staat een grote vogelkooi van rotan, met dikke donkerbruine spijlen en sierlijke afwerkingen langs de randen. Bovenop de kooi zit een opengewerkte koepel van metaal en een brede ring. Donna kan zich de kooi niet herinneren. Ze kan zich ook geen vogel herinneren. Verward draait ze de foto om en er schiet een schok door haar lichaam als ze het kriebelige handschrift van haar vader herkent, met lange, bijna venijnige uithalen in de krullen van de letters.

‘Voor mijn kleintje.’

Gaf haar vader Baboe een vogel? Waarom? En wat is er met die kooi gebeurd en met de vogel?

Donna vouwt de papieren verder open. Het zijn brieven, in het handschrift van Baboe en er zit een klein kaartje aan vast waarop ze weer de schrijfhand van haar vader herkent.

‘Kom vanavond als je klaar bent met je taken naar mijn werkkamer. Je weet wat ik van je verlang.’

Wat verlangde haar vader van Baboe? En waarom schreef Baboe een brief? Waarom zit dit niet gewoon in haar dagboeken? Heeft Seth dit gezien?

Ze strijkt de dichtbeschreven papieren glad, haar ogen vliegen over de regels, maar schieten steeds weer terug naar die twee woordjes bovenaan de brief.

‘Mijn Heer’

Twee woorden die zonder dat ze ook maar iets zeggen over liefde en voor altijd, juist dat benadrukken.

Ik ben van jou, jij van mij. Verschillend en evenredig. Zonder einde of begin. Zijn kleintje. Haar Heer.

*

Mijn Heer,

Uw opdracht was zo duidelijk en toch is het me vandaag pas gelukt een beschrijving te geven aan dat wat uw cadeau met mij heeft gedaan. Eerder wilde de woorden niet komen. Het was te groot en te overweldigend. Nog nooit eerder heb ik zo’n cadeau gekregen. Nooit eerder heb ik gevoeld hoe diep u wel om mij moet geven. Nooit eerder heb ik geweten dat wat ik voor u voel, veel groter is dan mijzelf …

*

Muisstil beweegt Lisi zich over de gang en via de brede trap naar beneden. Inmiddels weet ze precies welke treden ze moet overslaan om haar komst niet aan te kondigen. Ze doet het niet voor mijnheer. Wel voor mevrouw. Mevrouw is grillig. Ze is al weken haar kamer niet uit geweest en roept Lisi voor ieder klein wissewasje. Een kussen dat opgeschud moet worden, een glas water, een mug die haar wakker houdt. Heel soms roept ze haar omdat ze de baby bij zich wil hebben. Het duurt nooit langer dan tien minuten en Donna brult dan hartverscheurend, met haar armpjes uitgestrekt naar haar Baboe. Lisi begrijpt het wel. De kamer van mevrouw is donker en kil, vol onuitgesproken verwijten.
Altijd is Lisi bang dat mevrouw ineens toch uit haar kamer komt en het gezelschap van haar man opzoekt. Ze is bang dat mevrouw dan ziet wat zich al maanden onder haar dak afspeelt. Mijnheer zegt dat mevrouw het weet en het ook begrijpt, maar Lisi weet dat er een groot verschil is tussen begrijpen en het ook echt weten. Mijnheer weet dat ook. Hij heeft het haar geleerd.

Als mevrouw haar nu tegen zou komen en ziet dat ze naakt op weg is naar de werkkamer van haar man, pas dan zal ze echt weten waarom Lisi zo aan de heer des huizes hangt.

Ze kondigt haar aanwezigheid met een klein klopje aan en wacht tot hij haar roept. Als altijd reageert haar lichaam direct op zijn donkere, gebiedende stem en met neergeslagen ogen betreed ze zijn werkkamer.

‘Kom hier kleintje en kijk me aan. Wat vind je van mijn cadeau?’

Lisi kijkt hem aan, knikt en ziet dan hoe groot de kooi echt is. Veel te groot voor de vogel die er in haar gedachten al bij is gaan horen. Ze ziet nu ook de metalen ringen op de bodem van kooi en de brede band die de opengewerkte koepel van het rotan scheidt.

‘Wat voor een vogel komt erin mijnheer?’

Mezak staat op van zijn stoel en wenkt haar nog dichterbij te komen. Met zijn hand tegen de achterkant van haar nek duwt hij haar naar de kooi. ‘Een heel bijzonder klein en kwetsbaar vogeltje.’

Hij opent het deurtje en duwt haar verder. ‘Toe maar kleintje, stap er maar in.’

Lisi kijkt hem aan. ‘Ik? Maar ik ben toch geen vogel?’
Ze lacht een beetje zenuwachtig als ze de blik in zijn ogen ziet en zet dan toch een voet over de lage rand. Mezak knikt. ‘Zo ja, pas op je hoofd, je andere voet ook, niet bukken, door je hurken, je handen op de grond.’

Ze moet haar hoofd buigen maar Mezak schudt zijn hoofd.
‘Je hoofd moet door het gat, toe maar. Zolang de ring niet vast zit, heb je ruimte genoeg.’
Lisi steekt haar hoofd door het gat en voelt zijn vingers door de ruimte tussen het metaal op haar huid. Het koele materiaal sluit zich rond haar hals, ze hoort een klik en ze zit vast. Geschokt kijkt ze Mezak aan, maar hij negeert de blik in haar ogen.

‘Nu je handen bij de ringen. Je voeten ook.’

Ze beweegt zich ongemakkelijk en neemt de positie aan die hij van haar verlangt. Ze zet haar handen tussen haar voeten. Haar ellebogen duwen haar knieën nog verder uit elkaar en de spieren in haar schouders protesteren doordat haar hals de bewegingen niet voldoende kan volgen. Mezak bevestigt de leren banden die ze al eerder heeft ervaren rond haar enkels en polsen en klikt ze vast aan de ringen. Zijn vingers beroeren heel even de opening tussen haar benen voor hij de kooi weer sluit. Een kleine, felle schok in haar buik ontlokt een zucht aan haar lippen.

Met een flauwe glimlach kijkt hij haar aan. ‘Je staat op een keerpunt mijn lieve Lisi. Vannacht zal ik je volledig de mijne maken. Er is dan geen weg meer terug. Maar eerst …’

Hij loopt om haar en de kooi heen naar zijn bureau. Lisi probeert hem te volgen en kreunt onder het gevoel in haar spieren. ‘Dit doet pijn mijnheer.’

Mezak geeft een harde klap tegen de kooi en ze krimpt een beetje ineen als hij zijn stem verheft. ‘Je spreekt pas als ik je daar toestemming voor geef! Jouw pijn is het uiteinde van een scala aan emoties. Vanavond ga ik je leren dat het onlosmakelijk verbonden is met het genot dat precies aan de andere kant ligt. Het een kan niet zonder het ander en beide bestaan niet zonder mij. Jouw pijn en jouw genot behoren mij toe. Jij behoort mij toe. Na vannacht leef jij enkel nog voor mij, maar eerst …’

Lisi kan niet zien wat hij doet. Ze hoort geritsel, geschraap en geklop. Geluiden die lijken op de geluiden die uit de keuken komen als kokkie aan het koken is. Het scherpe keukenmes op het houten blad. Ze schrikt als zijn hand plotseling bij haar billen ligt en hij zijn vinger een klein stukje in haar strakke gaatje duwt. Ze knijpt haar ogen stijf dicht en luistert naar zijn vastberaden stem.

‘Eerst zal ik je moeten reinigen. Je bent bezoedeld. Jouw onbezonnenheid heeft ervoor gezorgd dat ik niet de eerste ben. Vanavond zal ik je schoonbranden en als ik jou vannacht opeis, zal het zijn alsof ik wel de eerste ben. Het zal pijn doen en hoe harder je schreeuwt en huilt, hoe dieper ik je straks zal raken.’

Lisi hapt naar adem als zijn vinger plaats maakt voor iets kouds en glads dat diep bij haar naar binnen glijdt. Mezak draait zich weer naar het bureau. Hij praat zo zacht dat ze haast geen adem durft te halen, bang om ook maar iets van zijn woorden te missen.

‘Na vannacht ben ik jouw Heer en zo zul je mij ook noemen. Altijd, ook als er anderen bij zijn. Na vannacht ben jij mijn kleine putta, mijn kleine hoertje. Je zorgt voor mijn vrouw en mijn dochter zolang ik dat toesta, maar je bent hier voor mij.’

Rond haar anus en nog veel dieper begint het tintelen. Eerst een beetje kriebelend en prikkend. Het wordt warmer. Lisi wiebelt met haar heupen. Het gevoel wordt heter. Ze kreunt en bijt op haar lip. Mezak komt met een zware, aardewerken kom voor haar staan en beweegt de stamper draaiend van links naar rechts. Ze ruikt de geur van rode peper en knippert met haar ogen. Mezak knikt.

‘Jouw verlangen ontwaakt door de gember en wordt nog meer aangewakkerd door deze pasta.’

Lisi schudt wild met haar hoofd als hij met zijn zakdoek een lik van de fijngemalen peper uit de kom haalt en dit rond haar schaamlippen smeert. Meteen ontvlamt de hitte in haar gevoelige huid en de tranen springen in haar ogen. Wanhopig probeert ze zijn handen te ontwijken als hij de pasta over haar tepels verdeelt en het ook daar begint te branden.

Met een strakke blik in zijn ogen gaat Mezak weer in de stoel zitten. Haar gevecht tegen de pijn is wild. Ze huilt en schreeuwt en met genoegen ziet hij de huid van haar schaamlippen en tepels verkleuren. Zonder dit gevecht zal ze nooit de zijne kunnen worden. Zonder dit gevecht zal haar verlangen altijd nieuwsgierige onbezonnenheid blijven.

Lisi duikt in zichzelf. Ze kan niet anders. Mezak dwingt haar haar ogen open te houden en hem aan te kijken. Er is niets anders meer dan dat. Zijn ogen en het gevoel in en op haar lichaam. Een vuur dat nog maar door één iemand geblust kan worden. Zonder begin en zonder einde.

Show Buttons
Hide Buttons