Afscheid van het oude

Een verontrustend telefoontje van zijn Uwa* Susilla verjaagt de donkere roes. Kille angst neemt bezit van hem. Het is de angst kwijt te raken wat hij liefheeft en zijn hele leven al bij hem hoort. Jankend kruipt Dimitri weg, bijna als een geslagen hond. Genegenheid past niet bij hem, hij kent het niet en kan er niets mee. Die kant is van Seth. Het is de inspanning en toewijding van zijn moeder boven alles een goede man van hem te maken. Dankzij het voorbeeld van zijn vader is die andere kant met hem meegegroeid. Licht naast donker. Zacht naast hard. Tederheid naast wreedheid.

Seth rent naar buiten, naar de schuur en naar Donna. Zodra ze zijn handen voelt begint ze te huilen. Hij maakt haar los en verwijdert de jute zak van haar hoofd. Haar gezicht is nat van de tranen, snot en kwijl. Met zijn handen veegt hij haar schoon.
‘Donna …’
Ze begint nog harder te huilen. ‘Niet Donna, Putta …’
Hij tilt haar op en draagt haar naar binnen, de trap op. Voorzichtig zet hij haar op het bed.
‘Ik moet weg Putta …’
Ze klampt zich aan hem vast. ‘Je mag niet weg, je mag nooit meer weg!’
Hij maakt haar armen los. ‘Het moet. Mijn moeder, het gaat niet goed met haar.’
Wankel staat ze op. ‘Ik wil mee.’
Seth trekt haar tegen zich aan. ‘Nu niet. Ik kan je niet om me heen gebruiken en je moet rusten. Je blijft hier zodat ik naar je terug kan komen.’
Haar stem bibbert. ‘Je komt terug?’
‘Ik kom altijd terug Putta.’
Ze klimt in hem, slaat haar hele lichaam om hem heen en huilt met haar hoofd op zijn schouder. Hij legt haar voorzichtig in bed en dekt haar toe. Haar handen zoeken en grijpen zijn kleding, het kost hem moeite zich van haar los te maken.
‘Ga slapen. Je hebt het nodig.’
Als hij bij de deur is roept ze hem en hij draait zich om. ‘Ja Putta?’
‘Ben ik het waard?’

Sluipend komt Dimitri weer dichterbij en ruw duwt Seth hem terug. Zonder antwoord te geven trekt hij de deur achter zich dicht. Met twee treden tegelijk haast hij zich naar beneden. Donna sluimert in zijn hoofd, maar zijn hart is al onderweg naar de allereerste vrouw in zijn leven.

Zijn Uwa ontvangt hem zenuwachtig en houdt hem tegen als hij meteen door wil lopen naar de slaapkamer van zijn moeder.
‘Minggus is bij haar, de anderen zijn onderweg.’
‘Heeft ze naar mij gevraagd.’
‘Alleen maar. Ze …’
Seth laat haar niet uitpraten en opent de deur van haar kamer. Klein en breekbaar ligt zijn moeder tegen de grote kussens, haar hand ligt in die van Minggus. Haar ademhaling gaat snel en moeizaam.
Zijn Boeng kijkt hem bezorgd aan.
’Ze heeft het erg benauwd, het praten vermoeid haar. Er is een ambulance onderweg.’
Seth knikt en gaat aan de andere kant van het bed zitten. ‘Mama …’
Ze kijkt hem aan met grote, glanzende ogen. ‘Seth, je bent er, kom …’
Uitnodigend steekt ze haar armen naar hem uit en voorzichtig gaat hij naast haar liggen. Ze trekt zijn hoofd tegen haar borst, zoals ze vroeger deed als ze hem wilde troosten. Haar magere vingers strelen door zijn haar.
‘Hoe gaat het met je huis? Wat jammer dat ik het niet te zien krijg.’
Haar stem kraakt en haar ademhaling gaat piepend door haar borst terwijl ze met moeite de lucht die ze nodig heeft naar binnen zuigt
‘Niet praten mama. Zodra je je beter voelt neem ik je mee …’
Hij weet nog niet hoe hij haar uit moet leggen dat het huis dat ooit van zijn vader was, nu van hem is, net als de vrouw die hem bij het huis bracht.
‘Ik neem je mee. Naar het huis en naar Donna, ik heb haar gevonden mama.’
Ze trekt hem steviger tegen zich aan. ‘Mijn Donna? Mijn nona*.’
‘Jouw nona.’
Een diepe zucht ontsnapt aan haar lippen. ‘Dan is het goed, nu is alles weer goed.’

Seth voelt haar ontspannen, warm en rustig. De kamer wordt enkel nog gevuld door het geluid van haar piepende ademhaling en hij houdt zich daaraan vast. Hij had het haar eerder moeten vertellen, maar ze weet het nu en ze zal haar ontmoeten, in het huis waar ze voor haar zorgde en zijn vader innig heeft liefgehad.

De ambulance arriveert en zijn moeder wordt onderzocht, bekeken en beluistert. Haar ademhaling gaat gejaagder op het moment dat er een brancard de kamer in wordt gereden en onrustig schudt ze haar hoofd. Smekend kijkt ze van Seth naar Minggus.
‘Niet naar het ziekenhuis … Laat me hier blijven.’
Minggus praat zacht met het ambulancepersoneel en Seth praat net zo zacht met zijn moeder.
‘Ze gaan je oppeppen mama. Ze hebben het eerder gedaan …’
‘Nee Seth, niet meer …’

Er is geen sprake meer van oppeppen of een laatste redmiddel. Het ziekenhuis stuurt een verpleegster en zijn moeder zakt steeds verder weg in een wazige roes met steeds minder heldere momenten. Wanneer ze wel even helder is, probeert ze te praten. Seth wijkt niet van haar zijde en luistert naar haar soms onsamenhangende verhalen. Hij vraagt of ze pijn heeft. De verpleegster verzekert hem van niet. De morfinepomp die weken eerder al werd aangesloten doet zijn werk en geleidelijk wordt de dosis opgevoerd. Ze zal steeds vaker wegzakken, tot ze uiteindelijk helemaal geen heldere momenten heeft. Ze zal haar nona niet meer zien

Hij staat op het punt Donna te gaan halen, Minggus praat het uit zijn hoofd.
‘Als je Donna hier nu naar toe haalt komen er teveel vragen, vooral van Donna zelf, maar ook van de rest van de familie. De antwoorden op die vragen zullen alleen maar onrust bij je moeder veroorzaken. Laat haar gaan met dat wat ze nu weet …’

Seth wil haar niet laten gaan. Plotseling schieten hem zoveel dingen te binnen die hij haar nog wil zeggen, die hij nog wil vragen. Over haar leven, zijn vader, of hij goed voor haar is geweest, een goede zoon. Hij kan haar niet laten gaan. Ze gaat toch, rustig, zonder gevecht en met een glimlach rond haar lippen neemt ze afscheid van de wereld om haar heen. Ze laat ze hem alleen en hij weet dat vanaf dit moment niets nog hetzelfde zal zijn.

*

De zachte woorden van de dominee verdwijnen in de kille wind. Het zijn mooie woorden, over een bijzondere vrouw, een toegewijde moeder, dochter en zus. Geen woorden die weerspiegelen wat ze voor Seth is en ze weten dan ook zijn hart niet te bereiken. Hij weigert er naar te luisteren. In plaats daarvan houdt hij zich met zijn ogen vast aan Donna, of misschien houden zijn ogen haar wel vast. Hij weet het niet. Hij had niet naar Boeng Minggus moeten luisteren. Hij had haar naar zijn moeder moeten brengen. Nu is het te laat. Alles wat hij nog wilde, het is te laat.
Pas als de kist langzaam in het open graf zakt laat hij Donna haar ogen los. Met twee handen pakt hij donkere aarde van de berg naast het graf en terwijl hij de grond langzaam door zijn vingers op de kist laat vallen, fluistert hij zacht.
‘Ze zal het weten mama, ik zal het haar vertellen. Ze zal weten wie jij bent en dan zal ze ook weten wie ik ben …’

Zijn familie volgt zijn voorbeeld. Handenvol aarde om de kist te bedekken zodat zijn moeder het niet in haar hoofd zal halen om weer terug te komen. Hij snuift. Alsof ze dat zou willen. Ze is nu gelukkig, hij zag het aan haar glimlach. Eindelijk bij de man die haar in dit leven alleen maar in het geheim lief kon hebben, die haar maar op één manier lief kon hebben.

De groep mensen verwijdert zich van het graf, naar de warme aula waar koffie wacht. Seth blijft aan de rand van het graf staan, met zijn handen op zijn rug en als hij zeker weet dat iedereen weg is, kijkt hij Donna weer aan. Met een klein knikje van zijn hoofd wenkt hij haar, ze komt meteen in beweging en gaat naast hem staan. Hij pakt haar pols en klemt zijn vingers eromheen.
Nu is er niemand meer Putta, alleen jij en ik. Kom, ik wil je iets laten zien.’
Hij trekt haar mee, weg van de aula, naar de andere kant van de begraafplaats. Hij kent de weg. Zijn moeder nam hem vaak mee, haar voetstappen liggen hier en hebben het pad uitgesleten, meer dan ieder ander. Hij weet het, hoe vaak ze hier kwam weet hij niet. Ze ging ook zonder hem, toen hij niet meer meeging. Donna verstijft als hij bij een glanzende zwarte steen blijft staan en hardop de gouden letters leest. Ze stamelt. ‘Hoe weet jij …’
Seth lacht honend. ‘Jouw ouders Donna, vele malen doder dan mijn moeder. Je bent ze onwaardig!’
‘Ik heb je nooit verteld dat mijn ouders hier liggen.’
‘Precies. Je had het me moeten vertellen, maar je bent ze vergeten.’
Hij pakt haar bij haar haren. ‘Jij had alles, maar je gooide het weg en keek nooit meer om.’

Zijn hand glijdt onder haar jurk en trekt aan de panty tot hij de stof voelt scheuren en haar billen bloot komen te liggen. Ze worstelt om bij hem weg te komen en het maakt hem woest.
‘Je gooide weg wat al die tijd van jou is geweest. Je hebt gehoerd en gesloerd tot het je bij mij bracht en dat is wat je nu bent. Mijn hoer, mijn sloerie en wat van jou is, is nu van mij!’
Hij geeft haar een duw en ze valt voorover, met haar handen op de gladde steen. Hijgend trekt hij haar rok omhoog.
‘Ik denk dat je vader trots op je zou zijn als hij je nu zou zien. Je bent precies geworden wat hij graag wilde zien in een vrouw.’

Ze probeert overeind te krabbelen, hij duwt haar weer terug en opent de gulp van zijn broek. Donna ademt gejaagd. ‘Niet hier Seth, je bent jezelf niet.’
Hij neemt bezit van haar, zoals hij al vaker deed. Hij wacht niet op haar toestemming en nu ook niet tot ze hem smeekt. Hij legt zijn hand rond haar mond om haar geschreeuw te dempen en praat in het ritme van zijn diepe stoten.
‘Juist hier Putta. Ik ben als mijn vader, jij als mijn moeder. Hij stuurde haar weg, maar ze kwam terug als hij haar wilde, net als jij. Jij zal nooit meer hetzelfde zijn zonder mij, net als mijn moeder. Na mijn vader werd ze nooit meer hetzelfde.’

Seth weet dat hij haar pijn doet en dat haar tranen echt zijn, toch kreunt en hijgt ze zacht. Hij stoot tegen haar billen, neemt haar op het graf van haar vader, van zijn vader. Hij knijpt haar neus dicht en dwingt haar te luisteren naar zijn wrede, maar ware woorden.
‘Ze hield van je Donna. Ze was ook jouw moeder, de enige echte moeder die je hebt gehad.’
Met iedere stoot in haar vlees duwt hij haar steviger tegen de grafsteen en zijn handen glijden rond haar nek. Ze kreunt niet meer, haar gevecht neemt af en ze probeert zijn vingers van haar hals te trekken. Nog steviger knijpt hij haar keel dicht.
‘De lucht die je inademt is van mij, jouw hart klopt voor mij. Onze vader leeft voort in ons. Niet in jou, niet in mij, in ons. Er is niets anders meer.’
Er komen gorgelende geluiden uit haar keel en hij stoot sneller, feller op het ritme van zijn fluisterend woorden laat hij zijn zaad diep in haar buik stromen.
‘Mijn Putta. Voor altijd. Van mij. Van mij … Van mij!’

Hij helpt haar overeind, kust de afdruk van de letters van het graf in de palm van haar handen. ‘Fatsoeneer jezelf Putta, mijn familie wacht op me.’
Ze huilt niet en de wazige blik in haar ogen herkent hij. Hij geeft haar een felle tik in haar gezicht.
‘Bij me blijven! Ik heb je nodig.’
Ze loopt wankel, een beetje struikelend en hij slaat zijn arm om haar heen om haar te ondersteunen.

De stille getuige van hun samenzijn ziet hij niet en de man volgt op gepaste afstand. Zijn blik is peinzend en donker.

*Uwa = tante
*Nona = meisje

Show Buttons
Hide Buttons