Frisse start

Hij vindt haar huilend onder aan een brede trap aan de zijkant van het taxiplatform. Als een klein meisje met grote, verwarde ogen. Zodra ze hem ziet wil ze zich in zijn armen werpen, maar hij weert haar af en houdt het portier voor haar open.
‘Stap in Putta, we gaan naar huis.’
Ze praat snel en onsamenhangend, haar handen bewegen onrustig in haar schoot.
‘Ik dacht dat het kon Seth, die man, in het café … het leek zo makkelijk en hij …’
‘Hou je mond!’
Met een strak gezicht start hij de motor en geeft gas. Hij voelt haar ogen, maar ze houdt haar mond. Af en toe snift ze en veegt ze de tranen van haar gezicht. In zijn borst gloeit het. Ze liep bij hem weg en dacht terug te kunnen gaan naar waar ze vandaan komt. Terug naar haar lege leven vol gezichten die haar even willen bezitten om haar daarna weer aan de kant te gooien. Ze hoeft haar verhaal niet te vertellen. Hij weet het. Er was alweer een man. Ze was van plan terug te gaan. Na alles wat hij haar heeft laten voelen, denkt ze dat ze gewoon terug kan gaan. Ze heeft naar zich laten kijken en zich aan laten raken door vreemde handen. Ze is bezoedeld en besmet. Ze is van hem, maar Donna denkt dat ze de regels kan veranderen, dat ze zelf een keuze mag maken.

Zwijgend parkeert hij bij het huis en zwijgend wacht hij tot Donna is uitgestapt. Hij volgt haar voorbeeld en loopt met grote stappen voor haar uit. Ze moet rennen om hem bij te houden. Hij kijkt haar niet aan en luistert niet naar wat ze te zeggen heeft. Hij hoort het wel, maar het raakt hem niet. Hij weet dat ze bij hem hoort, dat hoeft ze niet te vertellen, wat hem zorgen baart is dat zij denkt dat het misschien kan. Zonder hem, zonder elkaar. Zij denkt dat ze zich kan laten besmeuren door anderen zodra er iets gebeurt dat in haar ogen niet kan. Hij mag haar behandelen als een hoer, haar vernederen zelfs omdat dit haar eigen verlangen is, maar zodra hij stopt met het vervullen van dat verlangen zal ze weer verder vlinderen. Ze weet niet beter. Ze heeft het altijd gedaan.

Bij de poort wacht hij op haar, hij haalt de deur van het slot en duwt haar de tuin in.
‘Kleed je uit Putta.’
Hij loopt van haar weg, rolt de tuinslang van de haspel en zoekt in de schuur naar het koperen mondstuk dat hij ergens heeft zien liggen. Als hij bij haar terugkomt wil ze haar handen tegen zijn borst leggen. Met een wild gebaar slaat hij haar van zich af.
‘Kleed je uit en gooi je kleren daarop. Alles.’
Hij wijst naar de verkoolde resten van haar oude leven. Gezichten van mensen die ze heeft toegelaten. Mensen die ze heeft ontvangen met haar vrije, hoerige lichaam. Met grote stappen loopt hij weer naar de schuur, ze gaat aan zijn arm hangen.
‘Seth! Praat tegen me. Je kunt niet doen alsof er niets gebeurd is. We moeten praten!’
Hij duwt haar naar de zijkant van de tuin, tegen de stenen muur, en trekt aan haar jurk.
‘Trek uit, nu!’

In de schuur vindt hij het gele blik benzine. Hij schudt ermee, draait de dop eraf en laat zich even bedwelmen door de zware dampen. Donkere beelden nemen hem in beslag. Hij ziet de vlammen, gezichten die hij niet kent verschrompelen. Het vuur brandt grote gaten die langzaam maar zeker alles wegvreten, van binnen naar buiten. Hij stelt zich voor dat dezelfde vlammen aan het lichaam van Donna likken, haar oude gedrag uit haar wegvreten tot alleen nog overblijft wat hij haar gegeven heeft, wat ze is. Zijn hoer, vrij om zich aan hem over te geven, wanneer hij dat eist. Alleen nog maar dat. Hij wrijft langs zijn ogen. Hij wil haar pijn doen, het gevoel drukt zwaar en duister op zijn hoofd en in zijn lichaam. Dimitri laat zich niet meer wegsturen, hij zit in Seth en Seth zit in Dimitri. Zij zijn één en Donna hoort daar bij. Een drie-eenheid die zal samensmelten tot één geheel.

Ze staat naakt en bibberend bij de zwartgeblakerde berg in het gras. Seth raapt haar kleren op, gooit ze erop en giet de inhoud van het blik eroverheen. Een enkele lucifer, een klein vlammetje en met een droge ‘voem’ schieten de grote vlammen in haar bevuilde kleding, eerst kil blauw, dan warm oranjerood. Hij draait zich naar haar toe en raapt de tuinslang op.
‘Handen op je hoofd en je rug tegen de muur.’
Ze sputtert en jammert. Hij schreeuwt. ‘Doe het!’
Huilend zet ze haar handen tegen haar hoofd, de spieren in haar schouders tillen haar borsten op, de zilveren ringetjes glinsteren tegen haar bleke huid. Zonder waarschuwing draait hij het mondstuk van de slang open. De ijskoude, harde straal raakt haar in het midden van haar buik, ze probeert weg te duiken, hij duwt haar terug en richt de straal op haar borsten. Ze gilt, Seth hoort het niet. Hij ziet alleen nog maar vreemde handen bij de ringetjes die hij haar gaf en die beelden geven woorden aan zijn kille woede.
‘Waar Donna!’
Hij hoort haar antwoorden niet en richt de straal op de plekken waar die ander geweest zou kunnen zijn. Haar mond, tussen haar benen, haar billen. Hij noemt haar een gore hoer. Al zijn woorden bevatten de haat die hij voor haar oude leven heeft, voor alles wat ze ooit heeft toegelaten. Zijn kleding raakt doorweekt, en hij voelt haar ijzig koude lichaam. Het water verkilt haar en spuit haar schoon. Alle smerigheid die anderen op en in haar lichaam hebben achtergelaten spoelt mee met het hardvochtige water en zakt weg in de grond, tot er niets meer overblijft, tot ze helemaal zuiver, onbevlekt en maagdelijk is. Tot ze echt in staat is om een frisse start met hem te maken.

Ze huilt en gilt, maar langzaamaan verstommen haar kreten. Seth voelt zijn spieren verkrampen en de vermoeidheid valt als een zware deken over hem heen. De tuinslang valt op de grond, het water stopt met stromen. Zijn greep verslapt en hij leunt hijgend tegen haar waterkoude lichaam. Ze slaat haar armen om hem heen en huilt zacht.

Hij laat zijn kin op haar hoofd rusten en denkt aan zijn aanvaring met Minggus en de woorden die zijn oom hem meegaf.

‘Je zult ook voor haar moeten zorgen.’

Seth zorgt voor haar en Donna weet dat hij dat doet, ze verwacht het. Het is de liefde die hij voor haar voelt en die liefde is hard en soms zelfs hatelijk. Zijn liefde bestaat niet uit zoete woordjes en lange wandelingen in het maanlicht, niet uit romantische beelden over spelende kinderen. Donna weet dat en toch houdt ze van hem. Ze zorgt ook voor hem.

Hij pakt haar handen en kijkt haar aan. ‘Kleed me uit Putta.’
Met trillende vingers ontdoet ze hem van zijn kletsnatte kleding. Met zijn handen op zijn hoofd gaat hij tegen de muur staan. ‘Spoel me schoon.’
Ze wil het niet, met zijn ogen zorgt hij dat ze het doet. Ze gehoorzaamt aarzelend en voorzichtig. Het kille water dringt door zijn huid, vertraagt zijn bloed en maakt zijn hoofd licht. Ze schudt haar hoofd en laat de tuinslang vallen. Huilend slaat ze zichzelf rond zijn koude lichaam. Hij drukt haar stevig tegen zich aan.
‘Wie ben ik Putta?’
Ze kijkt naar hem op. ‘Je bent mijn man Seth, mijn alles.’
‘En wie ben jij?’
‘Ik ben wie je wilt dat ik ben.’

Hij tilt haar over zijn schouder. Zijn handen liggen stevig rond haar benen en billen, haar natte haren dansen schokkend tegen zijn kuiten aan. Hij draagt haar het huis in, de trap op en legt haar op het grote bed. Seth gaat naast haar liggen. Hij slaat zijn been over die van haar en legt zijn hand op haar keel. Haar hartslag gaat nog snel, maar vertraagt langzaam tegen de toppen van zijn vingers. Het kalmeert hem. Ze weet het nu en ze zal nooit meer terug proberen te gaan naar het leven dat alleen maar koud en leeg was. Ze zal nooit meer naar een leven zonder hem verlangen.

Show Buttons
Hide Buttons