Ongekend

Soumia zucht onmerkbaar. Ze luistert naar de stem van haar zus. Ze weet dat ze het goed bedoelt en dat ze voor haar probeert te zorgen. Soumia wil niet dat er voor haar wordt gezorgd. Ze is heel goed in staat om voor zichzelf te zorgen.
Met een rustige stem onderbreekt ze de woordenstroom.
‘Ik ben niet ziek Saïda, niet meer en ik voel me prima. Ik moet er uit, even naar een vriendin. Ik zit al dagen binnen. Eerst het ziekenhuis, nu hier. Je bent lief dat je zo goed voor me zorgt en ik waardeer het ook echt. Ik zal je laten weten wanneer ik weer richting huis kom, maar ik moet nu weg.’
‘Wat is dat voor een vriendin dat ze niet snapt dat je nog rustig aan moet doen.’
‘Een hele speciale en het is een autorit, geen marathon. Ik zal het niet laat maken.’
Saïda gooit gefrustreerd haar handen in de lucht. Soumia glimlacht. Het is het gebaar van haar moeder. Haar zussen hebben het allebei overgenomen. Zij niet. Het is een leeg gebaar. Vrouwen maken het als ze weten dat de strijd is verloren. Theatraal. Soumia houdt niet van theatraal. Dat is ook wat haar in het gedrag van Wouter tegenstaat. Hij maakt teveel drama. Bezig met wat hij voelt, hoopt te voelen en wil voelen.
Ze trekt haar jas aan en stopt haar telefoon en sleutels in haar tas.
Fleur weet dat ze eraan komt. Ze heeft haar nu nodig en dat is vele male belangrijker dan haar zus tevreden houden.

De kaarsen voor het raam branden. Het zijn altijd de kleine dingen die het doen. Symboliek, kleine rituelen. Soumia heeft ze nodig en haar leven eromheen gebouwd. Alles staat en gaat met dit soort kleine gebaren. Een van de weinige dingen die ze wel van haar ouders heeft overgenomen. Het maakt momenten speciaal en memorabel. Opdat niets vergeten wordt.
Ze opent de voordeur met haar sleutel, loopt door naar de woonkamer. Ze verwacht Fleur op de bank of in de keuken. Nerveus en wachtend. Haar woorden zullen als een waterval over haar heen vallen.

Fleur zit in het midden van de woonkamer, naakt en geknield, haar handen als een plateau voor haar borst. Op haar handen ligt de smalle rijzweep. Het flakkerende licht van diverse kaarsen schijnt op haar gezicht. Haar ogen zijn dicht en ze ademt rustig. Soumia is verbaast door de aanblik die ze haar biedt. Kwetsbaar, tegelijk ook sterk. Een vrouw die weet wat ze nodig heeft en ook wil bepalen of het gebeurt of niet. Het is hoe ze Fleur heeft leren kennen en het maakt haar trots dit terug te zien. Het is een prettig gevoel.
‘Je hebt geen straf verdiend Fleur. Juist niet.’
‘Ik heb dit nodig Meesteres. Alstublieft …’
Soumia knikt. ‘Hoeveel?’
‘Tien, Meesteres. Waar U wilt en zoals alleen U kan.’
Fleur gaat staan, houdt haar handen met de zweep gestrekt tot Soumia hem van haar aanpakt en legt haar handen om haar enkels.
‘Ik wil voelen Meesteres.’
Tien slagen is veel, zeker met de rijzweep. Fleur zal pijn hebben, veel pijn en Soumia aarzelt. Ze denkt aan Wouter en hoe ze haar grenzen uit het oog verloor. Dat mag niet weer gebeuren.
Ze voelt hoe de aanblik van het voorovergebogen, naakte lichaam van Fleur in haar eigen lichaam gaat zitten, in haar hoofd. Het begin van de roes die ze zo goed kent.
‘Ben je klaar?’
Fleur knikt en ontspant haar schouders. Ze is al dagen klaar. Ze heeft dit nodig, haast nog meer dan ze Soumia nodig heeft. Ze moet voelen om te weten dat alles echt is en dat ze niet zielig is. Ze wil zich sterk voelen, wat Mark ook zegt, wat Soumia ook zegt.
De eerste klap is zacht en Fleur zucht, wacht op de tweede, ook zacht.
‘Harder Meesteres, alstublieft.’
Soumia slaat harder, nog een keer het verzoek van Fleur en ze slaat nog harder. Fleur hapt naar adem, kreunt. ‘Nog harder Meesteres.’
De vijfde klap geeft haar het scherpe, brandende gevoel waar ze op heeft gewacht.

Haar Meesteres slaat rustig, maar nu met de kracht die ze van haar verlangt. Het gevoel verspreidt zich van haar billen naar haar buik, borst en naar haar hoofd. Ze sluit haar ogen en laat het over zich heen komen. Ze telt de slagen niet, wacht simpelweg tot er geen meer volgen.
Soumia voelt ook hoe de roes zich in haar lijf verspreidt, het gevoel van macht dat bezit van haar neemt. Weten dat ze alles met Fleur zou kunnen doen. Ze zou haar vijftien slagen kunnen geven. De roes maakt dat ze even met die gedachte speelt. Heel even maar. Het kan niet. Het mag niet. Ze zou de naam die Fleur haar geeft niet waard zijn.

Na de tiende klap laat ze de zweep zakken. Ze ziet de vurige striemen over de huid van Fleur haar billen en raakt ze voorzichtig aan. Fleur schokt onder de aanraking en begint te huilen, ze zakt door haar knieën op de grond.
Soumia knielt naast haar en houdt haar vast. Ook dat heeft Fleur nu nodig.
‘Waar was U. U was er niet. U bent er altijd.’
‘Ik ben er nu.’
Fleur schudt haar hoofd. Het is niet genoeg. Ze moet er altijd zijn, en ze heeft het beloofd. Als Fleur haar nodig heeft, dan is ze er. Wanneer dan ook.
‘U was er niet …’
‘Vertel over Mark. Je hebt het hem vertelt, hoe ging dat.’
Fleur vertelt. Haar woorden, dat Mark het niet begrijpt, dat hij het moeilijk vindt. Dat hij erover na moet denken.
‘Hij zei dat het misschien zal helpen als hij U ontmoet, als hij ziet hoe U met mij omgaat en ik met U.’
‘Nee Fleur.’
‘Het zal hem helpen. Nu denkt hij dat U een monster bent. U bent geen monster. Hij zal zien dat U om mij geeft.’
‘Nee. Jij en ik, dat is van ons.’
‘Maar als hij het weet en ziet. Hij zal weten dat U geen bedreiging voor hem bent, en dat U voor mij zorgt.’
‘Jij weet dat en dat is genoeg.’
‘Niet als hij mij niet meer wil zien.’
‘Denk je dat?’
‘Ik weet het niet, ik ben er bang voor, of dat hij mij alleen wil blijven zien als ik U niet meer zie.’
‘Dan zul je alsnog een keuze moeten maken.’
‘Dat wil ik niet! En U was er niet! U had er moeten zijn!’
Soumia houdt haar vast. Ze vertelt waarom ze er niet was. Geen geheimen meer. Fleur mag het weten. Ze zal het prettig vinden als Soumia het haar vertelt.
Ze voelt de vrouw kalmeren onder het geluid van haar stem, haar ademhaling wordt rustiger en het huilen valt stil.
‘Na de ingreep werd ik ziek, een flinke koorts, longontsteking. Ik weet er niet veel van. Ik ijlde en toen ik eenmaal weer wakker werd, was ik zwak. Het had tijd nodig  voor ik uit bed kon en weer naar huis mocht. Je hebt gelijk dat ik er had moeten zijn. Ik neem mezelf kwalijk dat ik er niet voor je was. Het spijt me Fleur.’

Fleur maakt zich los uit haar armen, staat voorzichtig op en slaat een deken om haar schouders.
‘U hebt een kind?’
Soumia knikt. ‘Een dochter.’
‘En nu?’
‘Nu niets. Ze knapt goed op en over een paar weken kan ze naar huis, met haar ouders mee.’
‘U bent haar moeder?’
‘Haar biologische moeder, ze heeft een moeder.’
Voorzichtig gaat Fleur op de bank zitten, ze probeert de pijnlijke plekken te ontwijken.
‘Er moet zalf op Fleur. Het zal de pijn verzachten.’
‘Wat voor een vrouw geeft haar kind weg …?’
‘Ik kon niet voor haar zorgen…’
Soumia leest het onbegrip in de ogen van Fleur, daarnaast leest ze ook teleurstelling. Ze heeft hetzelfde bij Adnan gezien.
‘Hoe oud was U?’
‘Tweeëntwintig.’
‘Waarom kon U niet voor haar zorgen?’
‘Ik was druk met mijn studie en mijn stage’s. Ik had een leven waar een kind niet in zou passen.’
‘U wilde niet voor haar zorgen. U wilt nog steeds niet voor haar zorgen.’
‘Ze heeft ouders, een familie. Ze heeft mij niet nodig.’
‘En dat zegt U … U heeft haar niet nodig. U heeft helemaal niemand nodig. Mij ook niet. Niemand weet van mij, alleen wij, alleen U en ik…’
‘Ik heb jou wel nodig Fleur.’
‘Dat heeft U niet. U bent egoïstisch. Niemand mag van mij weten, van U. Het zou Uw werk kunnen schaden, mensen zouden met andere ogen naar U kijken …’
‘Dat is ook zo.’
‘Dat kan me niet schelen!’
‘Niet naar me schreeuwen Fleur.’
‘Ik schreeuw wanneer ik dat wil, U geeft niks om mij. U geeft niks om Uw kind, om anderen. Het gaat om Uw reputatie, Uw goede naam. Alles gaat onder Uw voorwaarden. Ik wil Mark in mijn leven houden en dat mag, maar alleen zoals U het voor U ziet. Hij mag U niet ontmoeten … Stel je toch eens voor, misschien kent hij Uw gezicht. Misschien is hij een kletskous.’
‘Dat is niet …’
‘Ik geef om Mark en ik wil hem in mijn leven. Ik wil ooit kinderen, een gezin …Fleur haalt diep adem en kijkt haar aan. Soumia ziet de minachting in haar ogen en het is alsof ze een klap krijgt. Zacht gaat Fleur verder.
‘Je doet alsof je sterk bent, alsof je weet wat goed voor mij is, maar jij weet helemaal niets. Jij bent niet sterk, jij bent zwak en jij verdient mij niet!’
Soumia is al die tijd op haar knieën op de grond blijven zitten en staat op.
‘Misschien kan ik beter gaan Fleur. Je verliest het respect dat ik van je verwacht uit het oog en je gaat dingen zeggen waar je straks spijt van krijgt. ’
Fleur knikt. ‘Precies, loop maar weg. Dat is wat je doet, zodra het moeilijk wordt. Misschien wil je mij nu ook wel weggeven, precies zoals je met je kind hebt gedaan.’
‘Fleur!’
De vrouw slaat haar armen over elkaar.
‘Wilt je mij straffen? Omdat ik de waarheid vertel, omdat je weet dat het de waarheid is?’
‘Als je zo doorgaat dan zal ik je moeten straffen, dat weet je heel goed. Je vergeet hoe je mij aan moet spreken en je zegt dingen die je niet meer ongedaan kunt maken.’
Stil kijkt Fleur haar aan, dan schudt ze haar hoofd.
‘Je mag mij niet straffen.’
‘Wat zeg je?’
Soumia heeft de zweep weer opgeraapt en doet een stap dichter naar Fleur toe.
‘Je mag mij niet straffen. Je bent mijn meesteres niet.’
‘Ik ben …’
De zweep valt op de grond en verbijsterd kijkt ze naar Fleur.
‘Dat meen je niet.’
Fleur knikt en staat op en steekt haar hand uit.
‘Dat meen ik wel. Ik wil je niet meer zien. Mag ik mijn sleutel terug.’
In een waas haalt Soumia de sleutel van haar bos en ze legt hem in de palm van Fleur haar hand. Fleur slaat de deken strakker om zich heen en loopt naar de deur, houdt hem open.
‘Het ga je goed Soumia, bedankt voor de tijd ik met je heb gehad.’
Soumia pakt haar tas van de grond en loopt naar de deur. Ze wil nog iets tegen Fleur zeggen, maar weet niet wat en kijkt haar nog even aan. Ze doet haar mond open. Haar woorden zijn nietszeggend.
‘Het spijt me Fleur.’
De deur valt achter haar dicht. Ze draait zich om. De gordijnen achter de ramen bewegen, het gezicht van Fleur verschijnt en de kaarsen worden uitgeblazen, weggehaald. De leegte in haar borst groeit.

Ze kent het gevoel niet en ze vindt het niet prettig. Toch groeit het, groter en groter. Als ze in de auto zit, merkt ze verbaast dat haar gezicht nat is van de tranen.

Show Buttons
Hide Buttons