Wat weg is

Het gevoel wat haar blijft vasthouden laat zich nog het beste omschrijven als een stapel stenen in haar maag. Zwaar en voelbaar bij alles wat ze doet. Soumia slaapt slecht en eet weinig. De ogen van Saïda en de rest van haar familie houden haar oplettend in de gaten. De ogen van Adnan ontbreken.

Haar mailbox loopt vol. Werk en Wouter. De berichten van Fleur ontbreken. Telefoontjes van haar collega’s, haar moeder, de ouders van haar dochter. De telefoontjes van Fleur ontbreken.

Diverse keren heeft ze met haar telefoon in haar hand gestaan, haar duim op de sneltoets van het nummer van Fleur. Ze aarzelt kort en hoort weer de woorden van Fleur, als een echo;

‘Je mag mij niet straffen… je bent mijn meesteres niet… Ik wil je niet meer zien…’

De pijn in haar borst is echt. Ze voelt zich onmachtig. Fleur is weg, ze is Fleur kwijt en Fleur komt niet meer terug.

Ze ging naar haar toe om haar te helpen en te troosten. Ze wilde haar laten voelen dat ze trots op haar is, dat ze belangrijk voor haar is. In haar hoofd worden de woorden van Fleur constant afgespeeld. Alsof er een cassette in haar hoofd zit en iemand steeds terugspoelt en weer afspeelt.
‘Je geeft niks om mij … Je geeft niks om je kind, om anderen. Het gaat om jouw reputatie, jouw goede naam … Alles gaat onder jouw voorwaarden …’
Soumia schudt haar hoofd. De woorden van Fleur schetsen een beeld van een egoïstische vrouw. Soumia is niet egoïstisch. Ze geeft wel om anderen en om Fleur. Ze wil juist voor ze zorgen. Zolang ze weet dat het goed met ze gaat, gaat het goed met haar. Haar reputatie kan haar niets schelen.

Het is niet waar. Haar geaardheid hoort bij haar, zoals haar geloof bij haar hoort, haar familie. Maar iedereen mag weten van haar geloof, haar familie. Ze heeft niets te verbergen, maar haar geaardheid? De man die haar één keer per jaar komt tekenen, de bewijzen van zijn tekeningen op haar lichaam … Ze verbergt het. De littekens blijven bedekt onder lagen kleding. Het kind onder jaren van stilzwijgen. Wouter en Fleur, bergen van geheimzinnigheid.

‘Je belt mij niet, alleen als ik je vraag mij te bellen en alleen in geval van nood.’

Ze hoort haar eigen woorden. Fleur zag ze alleen maar bij Fleur thuis. Ze ging nooit met haar weg. Fleur had de behoefte ook niet. Soumia wilde het niet. Ze weet waarom niet. Stel dat ze iemand tegen komt, een bekend gezicht.
Nog meer woorden van Fleur. ‘Hij mag U niet ontmoeten… Stel je toch eens voor… misschien kent hij Uw gezicht… Misschien is hij een kletskous…’
Haar rol in het leven van Fleur is een groot geheim. Haar rol in het leven van Wouter, net zo’n groot geheim. De rol die zij in haar leven hebben, nog groter. Iemand mocht er eens achter komen dat Soumia mensen nodig heeft, dat Soumia afhankelijk is van anderen.

Soumia is afhankelijk van anderen, afhankelijk van haar geaardheid. Het maakt haar tot wie ze is en hoort bij haar. Zoals haar familie bij haar hoort, haar geloof, haar werk. Het kind, Wouter, Fleur …

Ze staat plotseling op en kijkt op de klok. Het kan nog, het is nog vroeg. Saïda kijkt haar bevreemd aan.
‘Wat ga je doen?’
‘Even naar buiten, een stuk lopen. Ik moet er even uit.’
‘Wil je dat ik mee ga?’
Soumia schudt haar hoofd. Ze heeft haar jas al aan en controleert of haar telefoon en sleutels in haar tas zitten. Haar zus volgt haar.
‘Waar ga je heen?’
‘Lopen, misschien even wat drinken. Laat me even oké?’
‘Met wie? Ik kan mee, als je even wacht …’
‘Ik wil alleen en ik heb mijn telefoon. Ik ga alleen.’
Ze loopt met snelle passen, haar jas is nog open. De hoek om, nog een hoek, het park. Het café waarvan ze weet dat Adnan er regelmatig is. Het feestje daar, de barbecue. Niet daar, de korenbloem ook niet, te veel kans op bekende gezichten. Ze staat stil. Het is waar. Het is wat ze doet. Geheim houden wat geheim moet blijven. Ze wil geen geheimen meer.
Ze zoekt zijn nummer en wacht tot de telefoon overgaat en tot hij opneemt. Ze hoort een klik en zijn stem. Ze weet niet wat ze moet zeggen, uiteindelijk toch.
‘Kunnen we praten?’

Ze wacht in de korenbloem. Hij ziet haar zodra hij binnenkomt en gaat tegenover haar zitten. Zijn gezicht lijkt anders. Het is lang geleden dat ze zijn gezicht heeft gezien. Echt heeft gezien. Als hij bij haar komt, opent ze de deur zonder hem aan te kijken. Ze neemt plaats tussen de zilveren kandelaars, ziet alleen nog de vloer en zijn schoenen. Ze kijkt nooit naar zijn gezicht, heft haar hoofd pas op als ze de deur achter hem dicht hoort vallen. Weten dat hij er is, voelen dat hij er is en is geweest. Het is altijd genoeg.
Ze is nerveus. Dit is niet volgens afspraak, maar ze heeft hem nodig, nu nog meer. Hij is de enige die alles van haar weet. De enige voor wie ze geen geheimen heeft. Hij heeft haar gemaakt tot wie ze is.
Hij moet haar helpen, hij moet haar zeggen wat ze moet doen. Hij is de enige die haar kan zeggen wat ze moet doen. Hij is de enige die het echt zal begrijpen. Haar strijd was ook de zijne.
Hij heeft haar geleerd wat ze moest leren, nu moet hij haar vertellen hoe ze terug kan vinden wat ze onderweg kwijt is geraakt.

Show Buttons
Hide Buttons