Hetzelfde, maar anders

Een bepaald gevoel van nervositeit valt over haar heen als ze aan een klein tafeltje gaat zitten en de ingang van het lunchcafé in de gaten houdt. Wat ze nooit voor mogelijk had gehouden, gebeurt nu toch. Haar dochter. Voor het eerst zonder de ouders.
Waar praten moeders over met hun dochter? Meteen moet ze denken aan de woorden van Adnan.
‘Ze is jouw dochter, jouw bloed, maar is dat ook de rol die ze in jouw leven wil hebben? Die jij haar wil laten hebben?’
Soumia schudt haar hoofd en bestelt vast koffie. Haar dochter, in bloed, maar niet háár dochter. Niet zoals zijzelf de dochter van haar moeder is en een moeder? Soumia wil geen moeder zijn …
Toch maakt haar hart een sprong als de deur open gaat en Dewi het café binnen komt. Ze is klein en draagt een te grote, zwarte jas. Op haar hoofd staat een donkergrijze muts die ze ver over haar oren heeft getrokken. Haar handen zijn verstopt in de grote zakken van haar jas. Ze heeft geen tas.
Soumia aarzelt en wil opstaan, blijft toch zitten Leek ze eerder ook al zo klein? Kwetsbaar en bijna teer?
Dewi aarzelt ook. Een kort moment dat ze niet weet wat ze moet doen en wat er van haar verwacht wordt. Soumia is een vreemde vrouw, maar tegelijk trekt ze aan haar, alsof er onzichtbare touwen tussen haar en Soumia zitten. Touwen die er altijd waren en nu plotseling strakker staan. Een wereld waar ze tot kort geleden geen weet van had. Een wereld die ze nu wil leren kennen omdat het een andere wereld is dan die van haar.

Soumia maakt het haar makkelijk, glimlacht en gebaart naar de stoel tegenover haar.
‘Dewi, wat fijn je weer te zien. Ga zitten. Wil je wat drinken, misschien ook eten?’
Koffie en een stukje taart. Gerinkel van bestek, zachte muziek op de achtergrond, verder stilte. Soumia is gewend aan stilte. Woorden zijn niet altijd nodig om een gesprek te voeren, maar ze merkt dat Dewi het ongemakkelijk vindt.
‘Vind je het fijn om even een stukje te gaan wandelen?’
Dewi knikt, haar ogen lichten op en ze drinkt snel haar koffie. Ze trekt een gezicht, ze drinkt nooit koffie.
Onbewust denkt Soumia aan Fleur. Ze vraagt zich of de vrouw Mark heeft toegelaten in haar leven en of ze gelukkig is. Ze vraagt zich af of haar andere kant nog steeds de ruimte krijgt.
Ze rekent af en wacht tot Dewi haar jas weer aan heeft. Ze loopt naast haar. Dewi is bijna even groot.

‘Hoe voel je je?’
Het meisje schokt met haar schouders. ‘Goed hoor, soms nog snel moe, maar dat zal langzaam beter gaan.’
Stilte, ze staan bij de ingang van het park. ‘Met u … met jou?’
Soumia knikt, zegt dat het goed gaat en vertelt dat haar broer, Adnan aan de andere kant van de stad woont.
‘… met zijn vrouw Naomi en zoon Farid. Naomi is zwanger van de tweede. Ze willen je graag leren kennen.’
‘Nu?’
‘Ooit.’
Dewi kijkt opgelucht. ‘Dus we gaan niet daar naar toe?’
‘Dat lijkt me een beetje vroeg, vind je niet?’
Het meisje knikt en zucht.
‘Een beetje wel, maar ook leuk. Ik heb verder geen familie …’
‘Nu wel, maar alleen als jij dat wilt.’
Ze lopen het park rond en gaan terug naar waar de wandeling begon. Soumia kijkt naar Dewi.
‘Wil je naar huis?’
Dewi schudt haar hoofd.
‘Nog wat drinken?’
Weer schudt Dewi haar hoofd, ze lacht een beetje zenuwachtig.
‘Ik dacht dat het anders zou gaan …’
‘Hoe anders?’
‘Dat ik u … je veel meer zou vragen, er is zoveel dat ik wil weten…’
‘Wat wil je weten?’
‘Dat weet ik niet…’
‘Het komt wel. We kennen elkaar niet, maar ik wil je graag leren kennen. We hoeven dat niet te forceren. Veel antwoorden komen vanzelf en vormen weer nieuwe vragen.’
‘Heeft u… Heb je wel aan mij gedacht?’
‘Ik heb vaak aan je gedacht, maar ik heb nooit spijt gehad, als je dat wilt weten.’
Dewi knikt.
‘Ik wist het niet, tot mijn ouders geen andere uitweg zagen. Misschien had ik het nog niet geweten als ik niet ziek was geworden.’
‘Wat vind je daarvan?’
‘Misschien heeft het wel zo moeten zijn … gelooft u daar in?’
‘Geloof jij daar in?’
‘Ja. Ik heb altijd … nou ja, misschien niet altijd, maar er is wel een gevoel geweest, dat er iets mist … dat ik iets nog niet weet, terwijl het er wel is …’
‘Is dat gevoel nu weg?’
‘Nee …’
‘Je bent nog jong en je hebt tijd genoeg om te ontdekken wat dat is en waar het vandaan komt. Dat hoeft niet vandaag, ook niet morgen. Heb je veel vriendinnen?’
‘Niet veel, een paar … genoeg.’
‘En een vriendje?’
‘Niet echt …’
‘Wat betekent dat?’
‘Soms heb ik een vriendje, soms niet. het is … jongens zijn nog zo klein, soms net baby’s.’
‘Waarom heb je dan soms een vriendje?’
Dewi schiet in de lach. ‘Omdat ik ze zo zielig vind als ik maar nee blijf zeggen …’
‘En?’
‘Omdat het zo hoort … denk ik. Ik vind het  niet prettig als mensen denken dat ik anders ben. Al mijn vriendinnen hebben een vriendje …’
‘Ga je ook met die vriendjes naar bed?’
‘Nee zeg!’ Dewi kijkt haar verontwaardigd aan. ‘Ik zeg net, het zijn soms net baby’s …’
‘En als het geen baby’s zouden zijn?’
‘Misschien, ik weet het niet. Ik denk dat het alleen maar veel gedoe geeft, en dat ik niet snel iemand zal vinden.’
‘Waarom niet?’
‘Dat weet ik niet, ik word gewoon niet snel verliefd, en die jongens … een keer samen naar de film, dat vind ik leuk, maar dat doe ik ook met mijn vriendinnen.’
‘Val je misschien op vrouwen?’
‘Nee, dat denk ik niet …’
‘Ben je wel eens verliefd geweest?’
‘Ja.’
‘En hoe was dat?’
‘Verwarrend … en lastig … Was jij verliefd op mijn vader?’
‘Ja … heel erg.’
‘Waarom ging dat voorbij?’
‘Het ging niet echt voorbij, niet bij mij. We wilden allebei hetzelfde en dat bleek toch niet te verenigen …’
‘Hoe kan dat? Als je hetzelfde wilt dan …’
‘Hetzelfde, maar toch anders … jouw biologische vader is een stuk ouder dan ik ben en hij wilde geen kind.’
‘Jij toch ook niet?’
‘Bij hem was het anders. Je vroeg net of ik aan jou heb gedacht. Hij heeft nooit meer aan jou gedacht. Niet tot ik hem over jou vertelde en…’
‘En hij wil nog steeds niet aan mij denken.’
Soumia kijkt haar aan, knikt. Oscar is net als zij, maar dan zonder de verantwoordelijkheid. Zijn dominantie staat los van al het andere dat hij is. Bij haar is het onderdeel van wie ze is, met alles wat daarbij komt kijken. Wat Dewi zoekt is er al, ze weet het alleen nog niet, maar Soumia ziet het en ze ziet ook dat het sterk is. Dewi heeft een mentor nodig, iemand die net als zij gelooft dat alles gebeurt met een reden.
‘Ik zei net dat het te vroeg was, maar misschien kunnen we toch mijn broer een bezoek brengen. Hij wil je graag je ontmoeten en ik denk dat je hem mag.’
Adnan kan haar mentor zijn, veel meer dan Soumia dat kan. Hij moet degene zijn die Dewi stuurt, omdat hij haar echt zal willen begrijpen. Anders dan de ouders van Dewi. Ook anders dan Soumia.
Ook tussen Soumia en Dewi zal een moment komen dat ze elkaar niet begrijpen, hoe graag ze dat ook willen. Het zal hetzelfde zijn als tussen Dewi en haar ouders. Zo werkt het tussen kinderen en hun ouders.
Niet Soumia, maar Adnan zal Dewi haar mentor zijn. En Soumia weet dat hij het niet zal weigeren. Als hij Dewi ontmoet dan zal hij het weten.
Dewi is hetzelfde, maar dan anders.

Show Buttons
Hide Buttons