Minder dan niets

Wouter begrijpt het niet. Soumia is vaker streng en hooghartig, maar vanavond lijkt het anders. Haar zachtheid die er altijd wel een beetje door weet te schemeren voelt hij niet. Achter haar hooghartigheid zit een bepaalde boosheid, een woede en hij vindt het niet geruststellend. Niet eerlijk ook. Ze heeft geen reden om boos te zijn. Hij doet wat ze van hem verlangt, ze kan op z’n minst zijn aanwezigheid erkennen.
De plug brandt, zoals het ding kan doen als Soumia hem bij hem inbrengt. Toch is het anders. Zijn lid hangt slap en werkeloos. Hij schaamt zich ervoor en nog steeds heeft Soumia hem niet aangekeken en geen woord gezegd. Weer kruipen de minuten voorbij. Soumia staat op en loopt langs hem naar de doos met attributen. Ze controleert de zweep, de blinddoek, haalt met een minachtend gesnuif het slipje dat hij in de doos bewaart omhoog.
Misschien had hij het niet moeten bewaren … misschien had hij het terug moeten geven … misschien …

Er spoelt ijswater door zijn borst als hij de tas van Louisa naast de bank ziet staan.
Wouter schudt zijn hoofd. Nee, het zegt niets en de tas staat niet in het zicht. Waarschijnlijk heeft ze hem niet eens gezien en als dat wel zo is … het kan een tas van zijn dochters zijn.
Hij schraapt zijn keel. ‘Wil je dat ik iets te drinken voor je inschenk?’
‘Ik wil dat jij je mond houdt.’
Haar stem is scherp en haar kilte bijna voelbaar als ze achter hem gaat staan.
‘Bukken.’
Wouter bukt, voelt hoe haar vingers de plug controleren en hem verder naar binnen duwen. Haast meteen volgt een harde klap, met haar vlakke hand. De plek begint zacht te gloeien en de toestand van zijn lul volgt dat gevoel.
‘Je hebt binnenkort een grotere plug nodig, meerdere. Je moet getraind worden.’
Ze loopt bij hem weg en gaat weer op de bank zitten. Wouter voelt zijn opstand groeien.
Hij hoeft geen grotere plugs, deze is meer dan voldoende en hij hoeft zeker niet getraind te worden. Hij is geen hond!
‘Wil je iets tegen me zeggen Wouter?’
Het vage glimlachje rond haar lippen is vals en ineens weet Wouter het zeker. Ze is kwaad, op hem, op iets wat ze denkt dat hij gedaan heeft of niet gedaan heeft. Het geeft hem een zeer ongemakkelijk gevoel en hij doet toch zijn mond open.
‘Is er iets mis…? Ben je…’
‘Heb ik gezegd dat je mij een vraag mag stellen? Nogmaals, ik wil dat je stil bent en dat je recht staat. Je voeten naast elkaar en je handen langs je lichaam.’
Bijna automatisch zet hij zijn voeten naast elkaar, hij ontspant zijn handen en legt de palmen tegen de zijkant van zijn dijen.
‘Je schouders naar achteren en je kin omhoog. Je praat niet en je kijkt me niet aan.’
Wouter richt zijn blik omhoog, nog net niet op het plafond. Hij ziet spinrag. Hij ziet ook dat Soumia haar schoenen uitdoet, haar benen onder zich trekt en naar hem kijkt. Hij durft niet terug te kijken. Iets in haar hele houding vertelt hem dat hij vanavond beter kan doen wat ze zegt.

Louisa vloekt als ze uit haar auto stapt en haar tas wil pakken. Geen tas. Die staat nog bij Wouter, naast de bank, met haar huissleutels in het zijvak.
Ze belt haar zoon, maar krijgt hem niet te pakken. Natuurlijk krijgt ze hem niet te pakken. Die heeft wel wat beters te doen dan telefoontjes van zijn moeder beantwoorden, zeker op de vrijdagavond.
Het zou ook niet nodig moeten zijn. Ze zou bij Wouter moeten zijn. Wouter met zijn vaagheid over de rol die zij in zijn leven heeft, zijn vaagheid over de status van hun relatie.
Ze krijgt het warm. Het is zijn schuld, de schuld van zijn ex en zijn dochters, maar vooral zijn schuld. Door hem is ze haar tas vergeten, door hem kan ze nu haar huis niet in.
Hij kan het bekijken met zijn ‘nu niet’. Ze heeft haar sleutels nodig, daarna gaat ze wel weer weg als hij dat zo nodig wil … misschien blijft ze dan wel weg ook.
Boos trekt ze het portier van de auto achter zich dicht en boos geeft ze gas. Ze is het zat om altijd op de laatste plaats te komen.

Wouter weet niet hoe lang hij daar staat en hoe lang Soumia naar hem kijkt. Hij kan de blik in haar ogen niet zien, maar hij verlangt ernaar, zelfs als het een kwade blik is.
Alles is op dit moment beter dan hier staan en zich tot in alle vezels bewust zijn van dat wat zijn lichaam is.
‘Je mag een glas wijn voor me inschenken en ik heb trekt in iets zout, ik hoop dat je dit in huis hebt.’
Zijn adem verlaat opgelucht zijn borst en hij wil naar de keuken lopen.
‘Je mag me bedanken Wouter.’
Hij kijkt verward … Bedanken? Waarvoor?
‘Ik wil dat je voor me knielt en me bedankt. Je kijkt me niet aan.’
Wouter knikt, richt zijn blik naar de grond en gaat voor Soumia op zijn knieën zitten.
‘Dank U wel Mevrouw.’
Hij wil weer opstaan.
‘Ik wil dat je kruipt, vanaf nu wil ik dat je altijd kruipt, tenzij ik anders van je vraag.’
‘Maar … uw drankje … ik kan niet …’
‘Je kruipt Wouter, en je bent stil.’

Hij kruipt naar de keuken en opent de koelkast op zijn knieën. Op het aanrecht staat de geopende fles, hij opent een tweede. Uit zijn voorraadkast pakt hij een zak met chips.
Ze heeft trekt in iets zout, ze wil dat hij kruipt, dat hij stil is … Wat heeft hij gedaan dat ze vindt dat ze hem op deze manier kan behandelen?
Hij haar slaaf en de enige reden van zijn bestaan is haar behagen zodat zij een prettig leven kan leiden.

Hij zet het schaaltje chips en het glas wijn voor zich op de grond, schuift ze voor zich uit en kruipt er achter aan. Soumia heeft haar laptop op haar schoot gezet en kijkt hem aan als hij haar het glas aanbiedt.
‘Ik ben bezig Wouter. Kom naast me zitten, op je knieën en houd mijn wijn vast.’
Hij doet wat ze hem zegt, knielt naast haar, in zijn ene hand het glas, in zijn andere het schaaltje chips.
Soumia leest, typt, neemt zo nu en dan een slokje wijn en duwt het glas weer in zijn hand. De chips raakt ze niet aan.
Weer kruipt de tijd en Wouter verdwijnt. Hij weet dat ze hem niet meer ziet. Niet als de persoon die hij is, de man die hij wil zijn. Hij wordt kleiner, nog minder dan een dier … Een gebruiksvoorwerp, een ding. Het tafeltje waar ze haar wijn op zet.
Het is vernederend, en op de één of andere manier is het vreemd prettig om niets meer te hoeven zijn dan dat. Geen vragen, geen verantwoordelijkheden, helemaal niets meer.

Zijn roes wordt ruw verstoord door de voordeurbel.
Soumia kijkt hem ontstemd aan. ‘Verwacht je bezoek?’
Wouter schudt zijn hoofd. Er is niemand, niemand van wie hij zou kunnen bedenken … De bel gaat nog een keer, bijna driftig.
‘Prima, dan gaan ze vanzelf wel weer weg.’
De bel blijft gaan, met korte tussenpozen, steeds langer aanhoudend.
‘Het schijnt dringend te zijn Wouter.’
Weer schudt hij zijn hoofd. Er is niets, niemand. Hij wil niet dat dit moment wordt onderbroken.
Soumia zucht. ‘Zo kan ik niet werken …’
Ze zet haar laptop op de bank en staat op.
‘Wat gaat u doen?’
‘Vertellen dat ze aan het verkeerde adres zijn of zou het misschien de eigenaresse van de tas kunnen zijn…?’
Zijn borst bevriest en het moment is verdwenen. Hij is zichzelf weer. Wouter, slaaf van Soumia, minnaar van Louisa.
Dat kan niet. Louisa zou nooit … Soumia kan niet weten...
Soumia loopt naar het halletje, ze draait zich om naar Wouter. ‘Jij blijft zo zitten.’
De deur gaat achter haar dicht.
Wouter spitst zijn oren. Hij hoort de zachte stem van Soumia en na een korte stilte, de hoge wat schelle stem van Louisa.
Zijn schouders zakken als hij wordt meegevoerd door het gevoel dat hij verloren heeft. Hij wilde het allebei, nu heeft hij niets meer.

Show Buttons
Hide Buttons