Het verschil in de gelijkenis

De bus stopt net voorbij de halte, plotseling. Bijna alsof de chauffeur het rode stopbord niet heeft gezien. Dewi was al gaan staan en moet zich stevig vasthouden om niet gestrekt in het pad te vallen. Haar ogen zijn donker als ze in de grote spiegel de blik van de chauffeur probeert te vangen. Een lelijk woord verschijnt in haar hoofd. Als de deuren open schuiven, steekt ze even haar hand op.
‘Bedankt … fijne dag.’
Hij beantwoordt haar groet niet.
Ze moet springen om te voorkomen dat ze in de struiken belandt en kijkt de bus na als hij wegrijdt. Ze steekt haar handen diep in de grote zakken van haar jas. Adnan is vast een hele andere chauffeur. Vriendelijk. Vrolijk ook. Ze weet niet of hij het werk doet waar hij voor gekozen heeft, maar hij zou er iets van maken. Zo heeft ze hem leren kennen. Het is hoe hij is.
Weifelend blijft ze staan, ze kijkt om zich heen. Vorige keer hadden ze afgesproken in het café. Het is de andere kant op. Het huis van Soumia … toen ze er eerder was, was ze met haar ouders, met de auto.

Moderne huizen met hoge ramen. Strak ingerichte voortuinen. Een wijk van werkende mensen. Net zo als het huis van Soumia het huis van een werkende vrouw is. Strak ingericht. Makkelijk schoon te houden. Heel anders dan haar eigen huis. Het huis van haar ouders.
Ze begint te lopen en telt haar stappen. De vorige keer waren het er achthonderdvier naar het café. Hetzelfde aantal stappen naar het huis van Soumia, of minder, dan wordt het een fijne dag.
Misschien dat ze Adnan kan vragen of ze een keer mee mag op zijn bus. Zien hoe het is. Zien hoe de mensen op hem reageren. Het vermogen om er iets van te maken, altijd, maakt niet uit wat voor een werk je doet. Het is wat Dewi voor zichzelf wenst, wat ze voelt als ze naar de Gazelle gaat en tijd doorbrengt met de kinderen die er komen logeren. Tijd die voorbij vliegt en altijd te kort lijkt.
Ze staat stil, draait zich om en loopt terug naar de bushalte. Ze is de tel kwijt. Ze moet opnieuw beginnen, haar aandacht bij de stappen die ze neemt. In het hier en nu. Zoals haar vader altijd zegt. Terugkijken heeft geen zin, vooruitkijken ook niet. Nu is wat telt. Zoals Dewi haar stappen telt. Precies achthonderd als ze haar vinger op de kleine, goudkleurige bel drukt. Ze prent het getal in haar hoofd, zodat ze weet in hoeveel stappen ze vanmiddag bij de bushalte moet zijn. Het wordt een fijne dag

De bel klinkt luid en helder door de stilte van het huis. Een wee gevoel in haar buik klimt langzaam omhoog naar haar borst. Soumia schudt haar hoofd en werpt nog snel een blik in de spiegel.
Het zijn zenuwen die ze niet kent. Mensen hebben zelden die invloed op haar. Ze voelt zich op haar gemak. Waar ze ook is en met wie ze ook is. Nervositeit wordt meestal ergens anders door veroorzaakt. Nu is haar afspraak met Dewi de oorzaak. Dewi is haar dochter. Soumia zou niet nerveus moeten zijn.
Dewi staat op het tuinpad. Ze heeft een stap naar achteren gedaan toen de deur open ging en haar handen weer in haar zakken geduwd. Soumia glimlacht.
‘Dewi, wat fijn dat je er bent.’
Lichtjes dansen in de ogen van het meisje, Soumia ziet haar schouders ontspannen. Zij is niet de enige die nerveus is.
‘Kom binnen.’
Soumia stapt opzij om haar binnen te laten. De grote jas maakt haar klein, nog kleiner dan ze al is en fragiel. Ze heeft het niet nodig. Ze zou kleding moeten dragen die haar groter maakt.
‘Doe je jas uit. Er is thee en koffie, wat lekkers. Hoe gaat het met je? Heb je een goede week gehad? Hoe gaat het met je ouders?’
Een waterval van woorden. Precies zoals Soumia zich had voorgenomen niet te zijn.
Dewi knikt, geeft korte antwoorden en doet haar jas uit. Ze wacht tot Soumia hem aan een hanger in de gangkast heeft gehangen.
Smalle schouders in een oversized shirt, slanke benen in een zwarte jeans, stevige schoenen. Soumia heeft het eerder gezien. Kleding om in weg te kruipen. Jezelf onzichtbaar te maken zelfs. De gelijkenis wordt minder. Soumia heeft nooit de behoefte gehad onzichtbaar te zijn. Zij wilde juist gezien worden. Nog steeds.
‘Ga zitten. Wat wil je drinken, misschien liever wat fris en een stukje koek. Neem maar, er is genoeg.’
‘Thee is goed, dank je wel.’

Stilte. Het zonlicht door de ramen, warm op haar rug. Een mooie dag. Een dag om erop uit te gaan. Gezinnen. Ouders met hun kinderen. Moeders met dochters. Waar praten moeders en dochters over?
Wat doen dochters van veertien in hun weekenden. Zijn ze niet liever met hun vriendinnen. Vriendjes. Soumia denkt aan de woorden van Dewi.
‘Jongens zijn soms net baby’s …’
Soumia heeft stilte nooit als vervelend ervaren. Het is een moment om gedachten te laten bezinken en te ordenen wat gezegd is. Het is voor het eerst dat ze een stilte als ongewenst ervaart.
‘Vertel eens wat meer over de kwekerij.’
‘Ik ben er nog niet eerder geweest.’
Dewi vertelt over haar werkstuk, haar interesse in geuren en hoe deze geuren hele sterke herinneringen kunnen oproepen bij mensen.
‘Veel sterker dan woorden. Geuren kunnen mensen direct terugbrengen naar een bepaald gevoel of een moment uit hun leven.’
Ze praat levendig over haar vrijwilligerswerk en de lichtjes in haar ogen worden helderder als ze over de kinderen vertelt. Kinderen die soms helemaal niets kunnen of bijzonder weinig. Alleen maar liggen, zitten en kijken.
‘Het enige wat ze dan hebben zijn mijn handen. Wat ik ze laat voelen, laat zien en laat ruiken. Sommige kinderen reageren sterk op bepaalde geuren. Ze worden actief of juist rustig. Er zijn manieren om dat uit te lokken. Ik wil graag weten hoe en ik zou zelf willen leren hoe ik bepaalde geuren kan combineren en kan gebruiken.’
Soumia luistert. Ze hoort en ziet de passie die bij Dewi leeft en herkent zichzelf daarin.
‘Hoe vaak ben je daar?’
‘Zo vaak ik kan. Ik doe spelletjes als dat kan, maar soms zit ik ook gewoon bij één van de kinderen. Dan lees ik voor of ik zing wat …’
‘Je kunt zingen?’
Dewi lacht verlegen.
‘De kinderen vinden het prettig als ik zing.’
‘Hoe ben je er bij gekomen om juist daar vrijwilligerswerk te gaan doen?’
‘Ik heb er stage gelopen, een week, ook voor school. We moesten verschillende stage’s lopen. Ik vond het daar prettig en de begeleiders zeiden dat ik een bepaalde rust uitstraalde. Ik ben teruggegaan om te vragen of ze mensen nodig hebben. Ze hebben altijd mensen nodig. De kinderen hebben iemand nodig die ze begrijpt.’
‘En jij begrijpt ze?’
‘Dat probeer ik.’
Plotseling is het gezicht van Dewi weer gesloten, de lichtjes in haar ogen worden doffer en ze duikt een beetje in elkaar. Soumia ziet de verandering en het stoort haar dat Dewi er niets over zegt. Geen uitleg over het gevoel dat duidelijk over haar heen valt. Soumia wil er iets van zeggen. Ze slikt haar woorden in.
‘Ik vind het mooi dat je dat doet en dat je er zelf ook plezier aan beleeft. Ik zou graag een keer met je mee gaan als je dat goed vindt.’
Dewi staat op.
‘Misschien … een keer. We moeten gaan. Ik heb om twee uur afgesproken. We kunnen de bus nemen, bus twaalf. Het is ongeveer twintig minuten hier vandaan.’

Weer valt dat vreemde gevoel over Soumia heen. Een afwijzing. Soumia is niet gewend aan afwijzingen. Het vertroebelt haar denken en haar blik. Het maakt dat ze vergeet wie er tegenover haar zit.
‘Je kunt gewoon ja of nee zeggen Dewi. Ik ben niet gesteld op vaagheden. Duidelijkheid brengt je veel verder. Ons allebei.’
Er verschijnt een flits van boosheid in Dewi haar ogen. Heel kort, maar Soumia zag het voor het plaats maakte voor een aarzeling. Ze kiest haar woorden zorgvuldig.
‘Ik weet het niet … zoals ik het zeg, misschien. Mijn ouders zijn nog nooit mee geweest … Misschien is het raar als jij meegaat.’
Ze zegt wat Soumia wil horen, niet wat ze voelt. Het zijn woorden die Fleur had kunnen zeggen, precies omdat het is wat Soumia wil horen. Dewi is Fleur niet.
‘We gaan met de auto. Ik hou niet van reizen met het openbaar vervoer en het  is prettig om geen rekening te hoeven houden met bustijden.’
Dewi knikt, zoekt het adres van de kwekerij in haar telefoon en laat het aan Soumia zien.
‘Dan moeten we wel gaan. Ik vind het niet prettig om te laat te komen.’
Soumia glimlacht.
‘Ik ook niet.’

Weer de gesloten blik. Dewi wil bepalen hoe snel het gaat. Gelijkenissen die geen gelijkenissen zijn. Er zijn zoveel mensen die niet graag te laat op een afspraak komen. Toch is het een gelijkenis. Dewi is wie ze is, maar ze heeft haar bloed, naast haar eigen karakter en talenten. Soumia vindt haar te onzeker. Het is niet nodig. Dewi heeft alles in zich om te groeien naar de beste versie van zichzelf. Dewi is misschien geen jongere versie van haar, maar ze heeft alles in zich om te groeien naar een betere versie. Niet wie Soumia zelf ooit was. Soumia wenst iets veel beters voor Dewi en het verschil is niet groot. Niet zo groot dat het niet te overbruggen is.

De hele weg naar de kwekerij herhaalt Soumia de woorden in haar hoofd terwijl ondertussen haar blik gevangen wordt door de smalle vingers van Dewi. Ze draaien aan de zilveren ring om haar linkerringvinger. Precies zoals Soumia zelf ook kan doen.

Show Buttons
Hide Buttons