Ongewenste rol

Soumia stuurt de auto een kleine parkeerplaats op en zet hem naast een donkerblauwe bestelbus.
‘Volgens de navigator is het hier.’
Er groeien roze klimrozen tegen het hek, eronder staan lage lavendelstruiken. Op de donkerblauwe bestelbus na is de parkeerplaats leeg. Soumia opent haar portier en kijkt om zich heen.
Het is hier stil. Veel groene struiken. Geen mensen.
‘Weet je zeker dat het hier is?’
‘Het zijn de gegevens uit de mail.’
Dewi stapt uit, plotseling een stuk zekerder. Soumia volgt haar voorbeeld.
‘Het is mooi hier en rustig. Ik wist niet dat … Ik ben hier nog nooit geweest.’
‘Het is jouw gemeente. Is het niet jouw taak om het juist wel te weten?’
Soumia weet niet waarom alles wat Dewi tegen haar zegt als commentaar voelt. Commentaar op wie ze is en wat ze doet, onderweg ook. Ze was stil en als ze toch antwoord gaf dan klonk het bijna als een terechtwijzing, zoals nu. Woorden die haar hoofd elke keer een beetje donkerder maken. Ze is niet gewend dat er op een dergelijke toon tegen haar gesproken wordt. Alleen Adnan kan en mag haar woorden in twijfel trekken en haar de andere kant laten zien. Verder niemand. Dewi ook niet.
‘Jij hebt nog geen flauw benul waar mijn taak ligt Dewi.’
Een terechtwijzing aan het adres van het meisje. Wie denkt ze dat ze is. Ze is veertien. Ze heeft nog veel te leren voor ze zal begrijpen welke taken er in haar eigen leven op haar wachten.
Soumia ziet dat Dewi gevoelig is voor haar woorden. Het is een bevestiging van wat ze eerder heeft gezien. Bij ieder ander zou het dat ene gebiedje prikkelen. Ze zou kijken hoever ze kan gaan en of het echt is. Nu dienen haar woorden verzacht te worden om te voorkomen dat Dewi in haar schulp kruipt.
‘Ik ben blij dat je me mee hebt gevraagd. Ik vind het geen prettig idee dat je hier alleen naar toe zou gaan.’
‘Je lijkt mijn moeder wel.’
Ze zegt het met een klein lachje. Het is geen sneer, maar toch. Soumia is haar moeder niet en nu gedraagt ze zich moederlijk? Ze wil haar moeder niet zijn. Een vriendin, maar liever nog een mentor, zoals Adnan al is geworden. Iemand waar je tijd mee doorbrengt omdat je weet dat je veel van die persoon kunt leren. Dewi zou heel veel van haar kunnen leren.
‘Ik vraag me toch af … het is  stil hier. Bel die man, je weet maar nooit…’
Ze proeft haar eigen wantrouwen.  Het is niet hoe ze zichzelf kent. Soumia gaat overal op af, ook als ze iets niet zeker weet. Haar besluitvaardigheid heeft haar ver gebracht. Ze zou niet hier zijn als ze altijd en over alles had getwijfeld.
‘Hier is een pad met nog meer rozenstruiken. Ik denk dat we hier moeten zijn.’
Dewi loopt al, met zekere passen. Dit is haar project. Wat zij wil, omdat ze denkt dat het iets voor een ander kan betekenen. Omdat ze wil dat het iets voor een ander betekent. Soumia volgt haar. Ze is nog jong en kwetsbaar. Iemand zou makkelijk misbruik van haar kunnen maken. Een middelbare scholiere. Wie zegt dat hier echt een kwekerij is en dat hier geuren worden gemaakt. Het kan een lokmiddel zijn voor jonge mensen, jonge vrouwen. En als ze eenmaal hier zijn …

Soumia schudt haar hoofd. Ze is paranoia. Er verschijnen beelden in haar hoofd die totaal niet aan de orde zijn. Ze gedraagt zich inderdaad als een moeder.
Angst om wat haar kind zou kunnen overkomen, om wat anderen haar aan zouden kunnen doen. Een oerdrift om te beschermen wat van haar is. Ze begrijpt het plotseling. Het is niet hetzelfde als destijds met Fleur of nu met Wouter. Het lijkt op elkaar, maar dit is puur. Niet geboren vanuit lust en  donkere verlangens. Dit is echt. Omdat Dewi onvervangbaar is.

Ze komen bij een kleine, vrijstaande woning. Het metselwerk is gestuukt. Kleine ramen, oranje dakpannen en veel bloeiende planten. Wit grind bij de voordeur en een donkerbruine labrador op het tuinpat. Aan de zijkant van het huis hangt een waslijn en er komt muziek uit de openstaande ramen. Het is een idyllisch plaatje, een zuidelijk plaatje. Dewi gaat sneller lopen en Soumia kan haar enthousiasme bijna voelen. Het slaat op haar over en dat komt ook door de omgeving en de warme uitstraling. De geuren om haar heen doen haar denken aan Frankrijk, Italië. Marokko zelfs. Knerpend grind onder haar voeten. Warme zonnestralen op haar gezicht. De muziek valt stil
De hond tilt ongeïnteresseerd zijn kop op. Het is geen waakhond. Een lobbes. Niet eens een vriendelijke. Gewoon een lobbes.

Aan de zijkant van het huis gaat een smalle deur open. Er verschijnt een vriendelijk gezicht. Een man met donker haar dat grijs begint te worden. Hij draagt een wit, linnen shirt en een wijde, katoenen broek. Zijn glimlach is warm. Zijn begroeting ook. Hij neemt de smalle handen van in die van hem en het meisje krijgt een kleur als hij haar naam noemt met een diepe, warme stem.
‘Dewi Woods. Wat leuk om je nu te ontmoeten en wat leuk dat je meer over mijn werk wilt weten. Wie heb je meegebracht?’
Wanneer de man haar aankijkt, komt er iets los in haar borst. De warmte in haar gezicht heeft niets met de zon te maken en verward slaat ze haar ogen neer. Als hij haar hand vastpakt moet ze zich beheersen om zich niet geschokt terug te trekken. Alsof ze zich brandt.
‘Soumia Zamora …’
Hij blijft haar hand vasthouden en zijn warmte trekt door haar hele arm.
‘Die naam heb ik vaker gehoord. Iets bij de gemeente als ik me niet vergis? Aangenaam Soumia. Vadit.’
Zijn stem gaat in zijn hoofd zitten. Hij tutoyeert haar. Ze wenst niet getutoyeerd te worden. Niet als ze daar niet eerst toestemming voor heeft gegeven. Onwillig trekt ze haar hand terug.
‘En u bent …?’
‘Vadit. Zoals ik al zei.’
‘En verder?’
‘Alleen Vadit. Mijn familienaam voegt niets toe. Het past niet bij me en bij wat ik doe. Mijn naam is zelfgekozen.’
‘En uw gegeven naam?’
‘Die staat alleen op officiële documenten. Dit bezoek is niet officieel.’
Hij glimlacht en richt zijn blik weer op Dewi.
‘Leuk dat je iemand hebt meegenomen. Kom binnen. Er is thee en wat te eten.’
Hij brengt ze naar een grote woonkeuken. Warm hout, warm steen. Er is een schouw met ruimte voor een vuur. De hond komt traag achter ze aan lopen en gaat weer liggen op de plek voor de haard. Vadit schenkt thee in kleine, stenen kopjes, er liggen zoete hapjes op een bord. Dewi eet en vraagt wat ze eet. De man geeft haar antwoord. In aandacht en zonder die aandacht los te laten stelt hij op zijn beurt vragen. Dewi komt los en vertelt met nog meer enthousiasme over de kinderen van de Gazelle en wat ze hoopt te leren.
Soumia luistert, observeert en voelt zich een buitenstaander. Het is een rol die haar niet eigen is en die ze niet wenst te kennen.

De weg naar huis is tegenovergesteld van de heenweg. Soumia is stil en in gedachten, maar Dewi ratelt een waterval van woorden over haar heen. Ze ordent wat ze gezien en gehoord heeft. Het kleine blokje zeep in vloeipapier ligt bijna koesterend in haar hand. Solid parfum. Veel gebruikt in de cultuur van Soumia. Het ziet eruit als zeep, maar wanneer je er licht mee over je huid wrijft, komt er een geur los die de hele dag blijft hangen. Een geur die ze nu ook ruikt. Fris zoet met een ondertoon van citrus en jasmijn. Het is een geur die bij Dewi past.
Soumia laat de woorden over zich heen vallen en knikt af en toe instemmend. Het enthousiasme van Dewi is kinderlijk.
Wat Soumia zelf voelt heeft niets te maken met kinderlijk enthousiasme en het verwart haar. Zijn stem en ogen zitten in haar hoofd samen met zijn woorden.
‘Je zult terug moeten komen voor jouw aandenken. Het lukt me niet om je direct in een geur te vangen.’
Ze heeft geen behoefte in geur gevangen te worden en terugkomen doet ze zeker niet. Ze was daar voor Dewi. Voor niemand anders.
‘Ik breng je meteen naar huis. Dan hoef je niet met de bus.’
Dewi is even van haar stuk en uit haar verhaal gehaald. Vadit leek haar te zien, echt te zien en ook te horen wat ze zegt. Precies zoals Adnan met haar praat en haar begrijpt, maar toch ook anders. Ze gaat terug. Misschien wil hij haar meer leren. Ze moet terugkomen. Haar werkstuk is niet compleet. Ze wil alles weten. Ook van Vadit.
‘Ik vind het niet erg om met de bus te gaan.’
‘Ik breng je naar huis.’
Haar woorden dulden geen tegenspraak. Dewi zit alweer in haar verhaal. Over de rozen, de hoeveelheid grond, de geuren. Vooral over Vadit. Het enthousiasme van een kind en een jonge vrouw. Te enthousiast, vindt Soumia. Ongezond enthousiast.

Dewi noemt de straat, wijst naar het huis en gaat weer verder over de middag die achter haar ligt. Over Vadit. Ze opent het portier en neemt afscheid van Soumia.
‘Bedankt dat je bent meegegaan. Ik vond het leuk. Ik ga Vadit vragen of ik nog eens terug mag komen. Ik vind hem bijzonder. Hij …’
‘Hij is dik in de veertig Dewi. Maak je geen illusies. Baby’s passen voorlopig veel beter bij jou.’
Het zijn onnodige harde woorden en ze doen teniet wat mogelijk is opgebouwd. Soumia ziet de gekwetste uitdrukking op het gezicht van Dewi en de woorden komen weer bij haar terug. Is dit het antwoord van een moeder?
‘Tot snel Dewi. Ik vond het leuk dat ik met je mee mocht.’

Soumia rijdt weg. Dewi kijkt haar na. Haar harde woorden hebben haar weer klein en fragiel gemaakt. Het zijn niet de woorden van een moeder.
Het zijn woorden van een jaloerse vrouw. Ze was een buitenstaander. Vadit had vooral aandacht voor Dewi.
Soumia wil niet terug. Ze wil ook niet dat Dewi teruggaat.

De wolken in haar hoofd worden dikker en komen dichter bij elkaar. Soumia is nooit jaloers. Die rol past haar niet.

Show Buttons
Hide Buttons