Waar woorden vandaan komen

De harde zoemer doorbreekt luid de stilte in het lokaal. Meteen is het een kabaal van schuivende stoelen. Tassen worden op tafel gezet, schriften in de tassen geschoven. De woorden van de man die voorin het lokaal staat sterven weg in het geroezemoes. Dewi wacht. Ze wil hem nog wat vragen. Een klasgenoot loopt tegen haar aan in zijn haast uit het lokaal te komen. Haar donkere ogen volgen hem. Hij ziet het niet. Ze zien haar zelden.
Colette trekt haar aan haar arm het lokaal uit.
‘Kom, we gaan naar de punt. Het is mooi weer.’
Dewi stribbelt tegen. Ze wil niet naar de punt. Colette luistert niet. Colette luistert nooit.
‘Ik wilde nog wat vragen …’
‘Het is weekend. Ga je mee?’
Dewi steekt haar handen in de zakken van haar jas en trekt haar schouders op.
‘Ik hoef niet zo nodig naar de punt …’
‘Wat wil je dan?’
‘Ik ga naar de Gazelle.’
‘Alweer?’
Dewi knikt. ‘Misschien kom ik later …’
‘Dat zeg je altijd …’
Ze doet het nooit. Vandaag ook niet. Ze heeft er niets te zoeken. Mensen veranderen onder de druk van een groep. Colette, maar zij zelf ook. Ze heeft het gezien, die paar keer dat ze zich over heeft laten halen. Het is de drang om erbij te horen. Ze wil het niet, het gebeurt toch. Alsof ze er niets over te zeggen heeft.
De anderen zien haar daar ook niet. Het maakt niet uit waar of hoe ze is. Colette verandert ook. Ze praat harder en lacht scheller. Ze lijkt op Colette, maar ze is het niet. Dewi hangt erbij. Omdat ze niet mee wil doen en omdat ze niet wil veranderen.
‘Je kunt ook meegaan naar de Gazelle, misschien vind je het leuk.’
‘Nee hoor, ga jij maar. Niks voor mij. Misschien zie ik je later.’
Dewi klemt haar lippen op elkaar. Colette wil niet met haar mee. Colette wil ook niet luisteren naar haar verhalen over de Gazelle en de kinderen die er logeren.
‘Dat je dat durft …’
Later bij de punt had ze het aan anderen verteld.
‘Weet je wat Dewi doet in haar vrije tijd?’
Er werden grappen over gemaakt. Nare grappen. Omdat ze niet weten wat het is, hoe de kinderen zijn. Kwijlende, in hun broek poepende mongolen. Er werd gelachen om imitatie’s. Jongens die hink-stappend en met scheve gezichten om haar heen liepen.
‘Dewi, wil je mijn billen afvegen!’
‘Dewi, ik heb honger. Geef me te eten!’
Colette lachte om het hardst mee.
Dewi is niet meer met haar meegegaan. Baby’s zijn het. Allemaal baby’s.

Groepjes komen naar buiten. Pubers, bijna jong volwassen. Kwetsbaar en nog zo makkelijk te breken. Door elkaar. Door anderen. Een verkeerde invloed. Verkeerde woorden. Soumia ziet Dewi zoals ze haar eerder zag. Breekbaar in haar donkere, te grote kleren. Handen diep in de zakken van haar jas. Ze praat met een blond meisje. Misschien een vriendin. Soumia denkt terug aan de woorden van Dewi.
‘Ik heb niet veel vriendinnen.’
Zelf heeft ze geen vriendenkring. Ze heeft haar familie, haar werk. Wouter en nu dan Dewi. Ook familie, maar anders. Ze moeten leren familie van elkaar te zijn. En dit kan alleen als Dewi nog wil.
Haar gedachten gaan weer naar Vadit. Ze heeft er geen invloed op. Hij verschijnt op haar netvlies. Op de meest ongelukkige momenten. Ze zou hem toe kunnen laten. Een vriend. Soumia wil dat hij meer is dan een vriend. Ze wil meer dan een vriendin zijn. Zijn wereld. Hij die van haar.
De gedachten veroorzaken een schok. Soumia is altijd de wereld van anderen. Ze neemt. Dat is haar rol. Tot de ander het haar niet meer toe staat.
Vadit is anders. Ze weet niet goed hoe, maar hij is anders. Wil ze hem in haar leven, dan zal ze niets kunnen eisen. Die controle zal hij haar niet geven.

'Als je de controle niet verliest, kun je ook je grenzen niet verleggen.'

De woorden van Adnan blijven door haar hoofd draaien.

Dewi zal haar die controle ook niet geven, maar Dewi is te groot voor haar leeftijd. Misschien door haar ziekte, misschien ook niet. Ze heeft een ernst die niet bij haar leeftijd past. Gevoelens die zo groot zijn dat je ze niet begrijpt. Een wereld die jou niet begrijpt.
Het spijt Soumia dat ze het meisje heeft gekwetst. Ze zal moeten leren haar woorden te wegen. Dewi is niet als Fleur. Ze zal niet begrijpen dat haar woorden zijn bedoeld om haar te laten groeien, maar ze wil wel eerlijk tegen haar blijven. Haar wereld is al vol met leugens die volwassenen bedenken omdat ze vinden dat ze te jong is voor de waarheid. Dooddoeners die ervoor zorgen dat deuren gesloten blijven. Soumia wil niet zo’n moeder zijn. Ze wil dat Dewi haar vertrouwt.

Ze stapt uit als Dewi haar ziet. Ongeïnteresseerd komt het meisje haar kant op lopen. Soumia knikt naar haar.
‘Kunnen we praten?’
Dewi haalt haar schouders op.
‘Waarom? Ik heb wel wat beters te doen. Kleuters bezig houden of zo …’
‘Als ik me goed herinner heb ik het woord baby’s gebruikt.’
‘Die ook ja …’
Soumia houdt het portier voor haar open en maakt een uitnodigend gebaar.
‘Ik vind het toch prettig als we even kunnen praten.’
Dewi knikt en stapt in. Als ze zit slaat ze haar armen over elkaar en steekt ze haar kin een beetje naar voren. Ze draait de ring rond haar vinger om en om. Het zijn tegenstrijdige signalen. Trots. Tegelijk nerveus.
‘Nou, praat … ik moet naar de Gazelle, en mijn werkstuk is nog niet af.’
‘Niet hier. Wil je wat drinken of liever een stukje lopen?’
‘Liever lopen …’
Soumia knikt en start de auto. Ze voelt niet de behoefte om de stilte op te vullen met woorden. Dewi zal nu niet praten. Ook niet luisteren. Defensief omdat ze zich gekrenkt voelt. Het is hoe jonge vrouwen kunnen zijn. Hoe een dochter van haar zou kunnen zijn. Hoe zij zelf was.

Ook de wandeling verloopt in stilte. De rust van de omgeving. Het park is groot genoeg om niemand tegen te komen. Adnan gaat hier altijd lopen, meestal vroeg in de ochtend. Ze zullen hem niet tegen komen. Dewi loopt naast haar met haar handen diep in haar zakken. Onverschillig.
‘Hoe gaat het met je werkstuk?’
Soumia ziet de beweging in Dewi haar schouders. Handen die nog dieper weg worden geduwd.
‘Ik moet terug … ik heb Vadit al gebeld.’
Weer steekt ze haar kin naar voren alsof ze Soumia uitdaagt er iets van te vinden.
‘Ik ben ook bij hem geweest.’
Dewi staat stil. ‘Waarom?’
‘Dat weet ik niet zo goed. Ik dacht voor jou, maar ik was daar vooral voor mezelf.’
Boze ogen. ‘Ik had je niet moeten vragen. Je bent net als mijn moeder.’
‘Ik ben je moeder…’
‘Jullie vertrouwen me niet, maar ik kan heel goed voor mezelf zorgen …’
‘Nee Dewi, dat kun je niet. Je bent te jong om al helemaal voor jezelf te kunnen zorgen. Jong en impulsief.’
‘… een baby …’
‘Geen baby, een jonge vrouw en kwetsbaar. Ik wil je beschermen. Jouw moeder ook. Jij bent nog puur en eerlijk in wat je voelt en wat je denkt te voelen.’
‘En jij weet dat.’
‘Ik ben ook jong geweest en je lijkt op mij, in heel veel.’
‘Ik lijk niet op jou! Ik zou nooit mijn kind weggeven! Ik zou nooit zeggen dat mijn kind een baby is, ik zou van haar houden. Onvoorwaardelijk!’
‘Ik moet nog leren onvoorwaardelijk van jou te houden.’
‘Wat jij wilt.’
‘Ik vind het niet prettig als je zo tegen me praat Dewi.’
‘Ik praat zoals ik wil.’
‘Nee, dat doe je niet. Je hebt respect voor mij. Je mag boos op me zijn, maar je praat wel met respect …’
Fel kijkt Dewi haar aan.
‘Want dat doe jij ook?’
‘Natuurlijk doe ik dat.’
‘Baby’s passen veel beter bij mij, dat zei je toch? Op die manier toon jij jouw respect voor mij?’
‘Dat is niet hetzelfde.’
‘Klopt. het is veel erger. Je ziet me als een klein kind. Iemand waar je de baas over kunt spelen. Je zegt dat je van me wilt houden, maar je hebt geen idee hoe je dat moet doen. Toen niet en nu ook niet.’
‘Het is niet hetzelfde, ik wil je leren kennen, maar je bent nog jong. Je weet niet wat … Ik heb … Wat ik zag …’
Met afschuw luistert Soumia naar haar eigen woorden. Het is zoals ze bij Vadit was. Stamelend en hakkelend. Mensen luisteren naar haar, op haar werk. Fleur en Wouter, altijd, maar Dewi is niet gevoelig voor haar woorden.
‘Ik was jaloers, Jij en Vadit … de aandacht die je hem gaf en hij aan jou. Het voelde ongemakkelijk. Ik was daar voor jou.’
Dewi kijkt haar met grote ogen aan.
‘Ik dacht dat je wilde praten omdat je je excuses wilde maken, om wat je had gezegd, maar je vindt dat je gelijk hebt. Jij mag zeggen wat je wilt omdat jij je ongemakkelijk voelt, maar o wee als ik iets zeg dat jou niet aanstaat…’
Het meisje schudt haar hoofd en Soumia voelt zich kleiner worden. Ze weet dat Dewi gelijk heeft. Haar waarheid en dat wat zij weet. Het is hoe het is. Zoals het altijd is geweest.

Weer ziet Soumia de verpleegster met Dewi weglopen. Het kind dat er niet mag zijn. Het kind dat ze nu in haar leven wil houden.
Plotseling wordt ze misselijk. Ze duwt mensen weg nog voor ze dichtbij kunnen komen. Ze laat alleen familie toe en zelfs die niet helemaal. Omdat geheimen geheim moeten blijven. Wouter en Fleur, in eerlijkheid en vertrouwen, maar altijd die afstand. Ze verwacht dat anderen haar toelaten, maar duwt zelf de deur dicht. Ze vertelt niets over wat verborgen moet blijven. Dewi, de littekens op haar rug, Wouter en Fleur. Verwarring naar Vadit. Doen waar ze goed in is. De controle nemen en houden. Zelden teruggeven wat ze krijgt. Fleur stuur haar weg. Adnan keert zich van haar af. Pijn om leugens die gedaan zijn.

‘Het spijt me Dewi.’
Een klein knikje. Koppig. Andere woorden zullen niet snel ongedaan maken wat eerder is gezegd.

Stil lopen ze terug naar de auto en stil zet Soumia Dewi af bij de Gazelle. Het meisje is misschien al verder dan ze zelf was op die leeftijd. Onzeker en timide, maar ze weet wat ze waard is. De dingen die Soumia bij haar ziet en waar ze invloed op wil hebben … Dewi laat zich niet vertellen wat ze moet doen. Dewi is niet haar dochter.

Show Buttons
Hide Buttons