Licht in de duisternis

‘… en dan dat idiote gezwets van Judith, die verandert ook echt nooit en dan die jurk, dat kan echt niet meer op haar leeftijd hoor. Tien jaar terug misschien, maar zelfs dat, ze is nooit een van de slankste geweest en … zeg, luister je eigenlijk wel? Wat vind jij daar nou van. Judith doet er beter aan … Kijk uit!’

Een auto van de andere weghelft komt met volle snelheid op het echtpaar af. De vrouw gilt, de man vloekt en zet zijn hand stevig op de claxon. ‘Jezus, wat een idioot!’
Hij gaat vol op de rem, de andere auto maakt een slinger, schiet de berm in en duikt van het talud af. De koplampen verlichten schokkerig de berm en de man vloekt nog een keer als er een enorme klap volgt en hijzelf met piepende remmen tot stilstand komt. Hij gooit het portier open en rent richting het talud, haast meteen draait hij zich weer om naar zijn vrouw die met een lijkbleek gezicht en grote, angstige ogen op de passagiersstoel zit.
‘Bel het alarmnummer!’

Al mompelend in zichzelf glijdt hij het talud af.
‘Vast weer een dronkelap … wat een ellende … nog een geluk dat hij die bomen raakte en niet ons …’

Het felle licht van de koplampen werpt een spookachtig schijnsel over de bomen en struiken onderaan het talud. De voorkant van de auto is verwrongen en vanonder de motorkap komen grote wolken stoom. Hij ziet geen beweging en versnelt zijn pas.
‘Laat hem niet dood zijn … laat hem alsjeblieft niet dood zijn …’

Achter het stuur zit een vrouw met lang, donker haar. Ze ligt met haar hoofd tegen de airbag en vanonder de haargrens sijpelt een dun straaltje bloed. Haar gezicht is bleek, bijna wasachtig en haar ogen zijn gesloten. In paniek klopt de man op het raam.
‘Hallo! Alles goed …?’
Ze verroert zich niet en vertwijfeld trekt hij aan het portier dat muurvast zit.

‘Och mijn hemel, och mijn hemel toch.’
Hij klopt weer op het raam.
‘Maak je geen zorgen, hulp is onderweg. Ik ben zo terug.’

Moeizaam klimt hij weer naar boven. De aarde is vochtig en hij glijdt steeds weg. Zijn vrouw staat met haar handen voor haar mond op hem te wachten.
‘Ik heb 1-1-2 gebeld, ze zijn onderweg … Zijn ze oké? Is hij …’
‘Het is een vrouw en ze reageert niet. Ik heb een schroevendraaier nodig, of iets anders. Het portier zit vast.’
‘Is ze dood?’
Ze begint te jammeren en hij duwt haar wat ongeduldig terug naar de auto.
‘Dat weet ik niet, blijf hier wachten ja en …’

In de verte doemen felle lichten op en hij gaat met zwaaiende armen op het midden van de weg staan. Een blauwe bestelbus komt met gierende remmen tot stilstand en een lange man stapt uit.
‘Hebben jullie hulp nodig?’
‘Ja … nou, wij niet, maar daar beneden. Een vrouw, en ze reageert niet. Ik weet niet of …’

De man wacht niet tot hij is uitgesproken en rent met grote passen het talud af. Hij roept hem na.
‘Pas op, het is glad daar … hulpdiensten zijn onderweg!’

*

Met een angstig voorgevoel laat Vadit zich van de glooiende berm afglijden. Hij herkent de auto van Soumia en bekommert zich niet om de gladde ondergrond. Half struikelend bereikt hij het autowrak.
Soumia ligt bleek en stil tegen het stuur. Hij roept haar naam en probeert het portier te openen. Achter hem komt de andere man weer naar beneden glijden.
‘Ik heb een schroevendraaier, misschien dat het daarmee lukt …’
Vadit houdt hem tegen.
‘Nee. We weten niet hoe erg ze er aan toe is en als we haar nu eruit halen, maken we het misschien alleen maar erger.’
Zacht klopt hij op het raam en kalm praat hij tegen Soumia.
‘Er is hulp onderweg. Ik ben hier. Hoor je mij? Ik ben bij je en ik laat je niet zomaar gaan. Het komt goed. Alles komt altijd goed.

*

Soumia heeft het koud. Haar hoofd bonst en het is of er een zware steen op haar borst ligt die haar belet te bewegen. Om haar heen is het donker en stil, of wacht … Nee, ze hoort stemmen, iemand roept haar.
Ze probeert haar ogen te openen en wil antwoorden. Alles zit vast. Alles zit altijd vast terwijl ze zo graag los wilde, terwijl ze zo graag alles anders wil doen.

Plotseling ziet ze het gezicht van Johanna, de moeder van Dewi. Was ze daar? Maar ze kwam toch ergens anders vandaan? Waarom ging ze er ook weer heen?

Ja, om haar te vertellen dat ze niets van Soumia te vrezen heeft. Dat ging ze doen. Ze zat in de warme, lichte woonkamer en vertelde de vrouw dat ze graag een rol in het leven van Dewi wil, maar dat ze nooit haar moeder kan zijn. Dewi heeft al een moeder. Het was een fijn gesprek, warm ook. Waarom heeft ze het nu dan zo koud?

Ze werd pas koud toen ze de ogen van Dewi zag en de felheid daarin. Het waren haar eigen ogen, maar Dewi was er niet, of toch…?

Waar is ze geweest? Waar gaat ze naar toe?

Een zachte stem danst fluisterend om haar heen en ze probeert het geluid vast te houden.

‘Ik ben hier Soumia, nog even volhouden …’

De stem verwarmt haar, als een klein vlammetje in haar binnenste, maar het is niet genoeg. Ze heeft het zo koud …

Er zijn andere stemmen, rustig en kalmerend. Rood licht, blauw licht, wit licht. Moet ze daar naar toe?
Gekraak, mechanische geluiden. Ze weet niet wat. Een boor misschien?

De druk op haar borst wordt even zwaarder en ontneemt haar de adem. Plotseling lawaai en harde stem.

‘Ja, nu. Bij drie! Een, twee, drie! Mevrouw Zamora, hoort u mij?’

Felle pijn schiet door haar lichaam en een gloeiende hitte verjaagd de kou. Wanhopig zoekt ze naar lucht, ze staat in brand. In paniek schieten haar ogen open.

‘Rustig, blijven liggen. U bent in goede handen.’

Het gezicht bij de stem ziet ze niet, het gezicht daarachter wel. Ernstige, bezorgde ogen. Bekende ogen. Haar hoofd doet pijn als ze het zich probeert te herinneren. Die ogen zagen haar, ze weten wie ze is. Ze weten alles van haar.

Haar handen zoeken vertwijfeld en vinden warme huid, stevig vingers. Het gezicht komt dichterbij en ze fluistert zonder geluid.
‘Niet loslaten …’

De geluiden vervagen tot een onduidelijke brij en het gezicht wordt wazig. Wanhopig houdt ze zich vast aan de hand.

‘We raken haar kwijt! Aan de kant mijnheer …’

Ze wordt omringd door angstaanjagende geluiden. Metalig gezoem, een hoge piep. Felle pijn en lichtflitsen. Stemmen. De warme vingers in haar hand schieten los. Weer die felle pijn en het is alsof ze loskomt. Een warm licht zweeft voor haar uit en ze grijpt het vast voordat het duister haar weer opslokt en de kilte terugkeert.

Ze kan daar niet naar terug. Ze wil daar niet meer terug.

Show Buttons
Hide Buttons