Alles heeft een reden

De kamer is schemerig en stil op wat zachte piepjes na. De vrouw in het smalle bed ademt rustig. Rond haar hals ligt een beschermende kraag en haar arm hangt in een soort trapeze. Haar borst is omwikkeld met strak verband. Ze slaapt of misschien wordt ze in slaap gehouden. Haar gezicht vertoont verkleuringen. Dieprood en donkerpaars. Haar linkerhand ligt op de dekens.

In de stoel naast het bed zit een man, hij slaapt ook. Zijn hand ligt naast die van de vrouw op het bed. Hij zit een beetje onderuitgezakt en zijn hoofd ligt voorover op zijn borst. Zijn ademhaling volgt omgekeerde het ritme van de vrouw. In als zij uitademt, uit als zij inademt.

De stilte wordt doorbroken door een zachte klik. Een deur gaat open en werpt een warme strook licht in de kamer. Er volgen voetstappen op rubberen zolen, een vrouw in lichte kleding buigt zich over de man en raakt voorzichtig zijn schouder aan.
‘Mijnheer Montes?’

Vadit haalt diep adem en tilt zijn hoofd op. Zijn blik valt op het bed en op Soumia. Meteen is hij wakker en hij staat op. De verpleegkundige glimlacht.
‘De familie van mevrouw Zamora is hier.’
Hij knikt, trekt zijn shirt recht en loopt achter haar aan naar de gang, waar een groepje mensen met bezorgde ogen staat te wachten. Vadit stelt zich voor en schudt handen. De ouders van Soumia worden door de verpleegster meegenomen naar de schemerige kamer.
‘Ze slaapt en dat is goed. Ze heeft rust nodig …’
Haar lichte stem verdwijnt achter de deur. Wat ongemakkelijk blijven de andere mensen achter op de gang.

Adnan observeert Vadit. Hij heeft hem nog nooit eerder gezien en zijn naam niet eerder gehoord. Soumia heeft het nooit over hem gehad. Hij zucht. De laatste tijd heeft Soumia het nergens meer over gehad. Het contact is nog steeds minimaal en dat is zijn eigen schuld. Hij heeft zich laten verblinden door zijn woede en zijn onbegrip. Naomi heeft gelijk gekregen. Nu heeft hij spijt. Wat de arts vertelde, klonk ernstig genoeg. Wat als …
Hij schraapt zijn keel en gaat bij Vadit staan.
‘Wat is er precies gebeurd?’
‘Heeft de arts jullie niet ingelicht?’
‘Jawel, maar … daarvoor. Waren jullie samen? Ben jij … zijn jullie …’

Adnan valt stil en hij vraagt zich af of deze man misschien een protégé van Soumia is, die andere kant van haar. Een kant die hij niet begrijpt. Hij weet niet waarom. Hij probeert het te begrijpen maar …
‘Ik ben een vriend van Soumia.’
Adnan wil vragen wat voor een vriend. Hij wil vragen of Soumia bij hem was, of ze samen waren en waarom Vadit dan niets mankeert. Hij vraagt het niet. Zijn lievelingszus is de afgelopen maanden zover van hem af komen te staan en hij van haar. Als hij niet zo koppig was geweest dan had hij kunnen weten van Vadit. Soumia had het hem verteld en hij zou op zijn minste weten dat er een Vadit in haar leven was en op wat voor een manier.

Peinzend kijkt hij naar de man. Dewi vertelde ook over een Vadit. Een man met een rozenkwekerij, met verstand van geuren. Een bijzondere man, had ze hem genoemd. Anders dan anderen.
‘Je kent Dewi ook?’
Vadit knikt. ‘Ik heb Soumia via Dewi leren kennen.’
‘En je weet …’
Weer houdt Adnan zijn mond. Hij weet niets en hij kan niets vragen. Het is aan Soumia, en dus ook Dewi. Vadit glimlacht een beetje vermoeid.
‘Ik weet niets. Ik ken ze allebei nog niet zo lang.’

Naomi komt tussenbeide. ‘Adnan, zie je niet dat hij moe is.’ En dan naar Vadit. ‘Fijn dat je bij haar gebleven bent. Hoe ben je hier? Zal ik je wegbrengen? Wij zijn er nu en je ziet eruit alsof je wel wat rust kunt gebruiken.’
Vadit schudt zijn hoofd. ‘Ik blijf hier.’

Hij zegt niet dat Soumia hem nodig heeft. Het is niet aan hem, maar hij weet dat het zo is. Misschien maar even, misschien langer, maar ze kwam naar hem toe en dat gebeurt nooit zonder reden. Hij heeft nu een rol in haar leven, zij in dat van hem. Als hij nu weggaat laat hij haar aan haar lot over, zelfs al is haar familie bij haar. Als ze hen nu nodig had gehad, was ze niet naar hem gekomen. Dan was dit niet gebeurd.

Maar alles gebeurt met een reden.

*

Soumia heeft pijn, maar het is ver weg. Het warme licht is bij haar gebleven, ook toen de pijn erger werd, toen ze het uit wilde schreeuwen, maar het niet kon. Het was naast haar. De hele tijd. Samen met stemmen die ze niet herkende, korte flitsen van gezichten, geluiden die ze meestal niet kon plaatsen. Soms wel. Nu is het licht weg, maar ze voelt het nog wel en er zijn andere lichten bij gekomen. Warme en vertrouwde lichten. Ze weet wat het zijn, wie het zijn, het komt alleen niet naar boven. Koud heeft ze het niet meer. Het is alsof ze drijft, misschien zelfs zweeft. Gewichtsloos. Dat is het. Ze is gewichtsloos.

Een ongeluk? Ze hoort de woorden en ook dat ze geluk heeft gehad. Zij? Ja, ze was gelukkig. Er was een moment, ergens. Er was iets, iemand. Ze ziet zijn ogen, het gezicht dat erbij hoort. Het hoort ook bij het warme licht, dat andere warme licht. Ze slikt en doet haar mond open. Er komt geen geluid. Haar nek doet pijn en haar keel is rauw en droog. Ze slikt weer en probeert haar ogen open te doen. Een onbekende stem praat tegen iemand in de ruimte om haar heen. Wie?
Haar ogen gaan verder open en de stem krijgt een gezicht, een jonge vrouw.
‘Ze wordt wakker.’
Het kost haar moeite haar ogen helemaal open te doen en de beelden blijven wazig. Twee gestaltes naast de jonge vrouw. Een van de twee huilt zacht, de ander roept met een lage stem haar naam. Ze kennen haar, zij kent hen ook. Ze weet wie het zijn, maar waar is die ander?

Weer doet ze haar mond open, de jonge vrouw buigt zich een beetje over haar heen.
‘Niet praten mevrouw Zamora …’
Ze praat toch. Het doet pijn, scherp gaat het gevoel door haar borst en naar haar keel, maar ze moet het zeggen. Ze wil weten waar hij is. Hij was het. Ze weet het zeker. Ze voelde hem. Waar is hij nu?
‘Vadit …?’
Het is een fluistering zo zacht, maar het lijkt haar borst open te scheuren en valt zwaar over haar heen. De figuren aan haar bed worden weer vager. De zachte stem glijdt van haar weg.

‘Mijnheer Montes … Ze vraagt naar u.’

*

Vadit zit in de stoel naast het bed en kijkt naar Soumia. Haar gezicht is bleek en haar lichaam stil, maar haar borst gaat langzaam op en neer. Hij praat zacht tegen haar en hij weet dat ze hem hoort. Haar wimpers trillen en in zijn hand reageren haar vingers op zijn stem, zoals haar lichaam op zijn handen reageerde toen hij haar las. Ze herkende hem, hij herkende haar. Ze kwam niet zomaar. Hij is hier niet zomaar. Vadit weet dat het zo is. Soumia weet het ook.

Alles heeft een reden.

Show Buttons
Hide Buttons