Ogen liegen niet

De stemmen die door de op een kier staande kamerdeur komen zijn zacht, maar niet zacht genoeg. Soumia kan woordelijk verstaan wat er wordt gezegd. Het geeft niet. Ze herkent sommige van de stemmen, maar de woorden staan ver van haar af. Het gaat niet over haar. Zij is die vrouw niet.

‘Vandaag mag ze naar huis, maar ze kan niet alleen zijn …’

Soumia is altijd alleen geweest. Met herinneringen aan mensen die ooit deel uit maakten van haar leven. Veilige herinneringen aan wat geweest is. Het blijft. Die herinneringen zullen haar niet meer teleurstellen of achterlaten. Meer heeft ze niet nodig.

‘Ze kan weer bij ons, net als de vorige keer, maar wij kunnen het niet alleen.’
‘Wij kunnen helpen, we kunnen allemaal helpen, zolang ze hulp nodig heeft …’

Soumia heeft geen hulp nodig, van niemand. Ze redt zich, zoals ze altijd heeft gedaan, wat er ook gebeurde en ze moet alleen zijn. Haar lichaam brandt zoals het nooit eerder gedaan heeft en het verlangt naar pijn. Naar diepe, felle pijn, tot bloedens toe.

‘Haar herstel verloopt voorspoedig en over een aantal weken mag de kraag af, maar dat andere …’

Haar wereld is donker, schimmig. Heel soms ziet ze wat wazige vlekken of flitsen van licht. Meestal komen ze met de stemmen die bij haar zijn en die haar zelden de rust geven waar ze zo naar verlangt. Soms wil ze het uitschreeuwen. Dan wil ze roepen dat ze weg moeten gaan, allemaal. Maar het lukt haar niet de woorden vorm te geven en ze blijven liggen in haar lichaam waar ze nog meer voeding geven aan het verlangen naar pijn.

De artsen hebben geen lichamelijke oorzaak kunnen vinden voor haar donkere en stomme wereld dus het moet wel psychisch zijn. Een conversiestoornis. Een mooi woord voor de miscommunicatie tussen haar hersenen en bepaalde delen van haar lichaam.

Soumia heeft geen stoornis. Ze weet dat alles goed komt zodra haar verlangen wordt geblust. Ook daarom moeten ze haar met rust laten. Ze wil naar huis zodat ze een kan met vers, ijskoud citroensap klaar kan zetten en Oscar kan laten weten dat ze op hem wacht. Hij weet als geen ander hoe hij de hitte van haar lichaam los kan maken.

De stemmen komen dichterbij. Haar ouders, Adnan, haar zus. Ze ruikt de rozenolie die haar moeder gebruikt en ze glimlacht om de warme herinneringen die de geur teweeg brengt. Zo jong was ze nog en zo onwetend. Fijne herinneringen. Het matras zakt een beetje in en er volgt een warme arm om haar schouders.
‘Je mag naar huis, maar je hebt nog hulp nodig. Saïda heeft de logeerkamer voor je in orde gemaakt. Bij haar kun je verder herstellen en …’

Soumia schudt haar hoofd en opent haar mond. Ze balt haar vuisten als de woorden blijven steken in haar keel en weigeren naar buiten te komen. Ze gaat niet naar Saïda en haar gezin. Die omgeving past haar niet en zal haar niet helpen. Ze moet naar huis. Daar kan ze zijn wie ze is, zonder bang te zijn dat iemand haar zal veroordelen. Daar kan ze haar pijn de vrijheid geven.

Iemand komt dicht bij haar staan en zakt door de knieën. Ook deze geur herkent ze, maar de herinneringen die er mee los komen veroorzaken een verwarrende kriebel in haar borst. Hij accepteerde haar en toch gooide ze de deur dicht voor hij dichterbij kon komen. Het heeft hem niet weggejaagd.

‘Je kunt nog niet naar huis, maar voorlopig kun je met mij mee, als je wilt …’

Zijn woorden veroorzaken een verontwaardigd gemompel om haar heen, maar brengen geen weerstand bij Soumia. Zijn huis. Met het vuur in de keuken en de donkerbruine labrador ervoor. Met de schone, lichte slaapkamer en de rozenkwekerij. Ze voelde zich er veilig en gewenst, in elk geval voor even. Hij zal haar niets opdringen en haar de vrijheid geven te doen wat ze nodig heeft, zelfs als hij het niet begrijpt. Hij zal niet verwachten dat ze hem nodig heeft.

Soumia knikt en negeert de stemmen van haar familie. Ze gaat met Vadit mee. Hij is niets van haar, enkel een toevallige voorbijganger. Bij hem kan ze volledig herstellen. Hij zal niets van haar verwachten. Niet meer dan ze hem kan of wil geven.

*

Wat bibberig zit Soumia op de smalle bank in zijn keuken. Haar gezicht is bleek en er parelen kleine zweetdruppels op haar bovenlip. Vadit gaat naast haar zitten.
‘Heb je pijn?’
Soumia schudt haar hoofd en keert zich een beetje van hem af. Ze wil zijn bezorgdheid niet. Het brengt tranen naar de oppervlakte waar ze niets mee kan, alsof ze zwak is. Dat kan ze niet toelaten. Soumia is sterk. In lichaam en in geest. Ze heeft niemand nodig.

Vadit ziet haar weerstand en staat op om koffie te zetten. Hij weet waarom ze met hem ging. Hij is geen familie en ze weet dat hij haar niet zal claimen, op geen enkele manier.

‘Ik heb nog wat werk te doen in de kas, maar ik ga ervan uit dat jij je hier wel redt. Met een uurtje ben ik weer terug. De koffie loopt …’

Met die woorden laat hij haar achter in de warme keuken. Hij maakt zich geen zorgen. Soumia is een sterke vrouw en zelfs met de beperkingen die haar om wat voor een reden ook worden opgelegd, weet hij zeker dat ze zich zal redden. Enthousiast hobbelt de labrador achter hem aan, maar Vadit wijst hem naar zijn plek voor de open haard. Mocht er toch iets misgaan, dan zal het dier aanslaan en Vadit zal het horen. Zijn hond pikt moeiteloos signalen van onrust op. Wat dat betreft lijkt hij op zijn baas.

Soumia schuifelt voorzichtig door de keuken en vindt het aanrecht met de warme koffiepot. Tastend zoekt ze langs de planken aan de muur naar een beker. Zie je, ze heeft echt niemand nodig. Zelfs nu haar zicht verdwenen is, weet ze zich te redden. Ook in een huis waar ze nog lang niet bekend is.

Terug naar de bank stoot ze zich tegen de punt van de tafel en klotst de hete koffie over de rand van de beker en over haar vingers. Meer is niet nodig en de tranen komen los. Boos op zichzelf wrijft ze langs de pijnlijke plek. Heel even wordt het lichter en ziet ze de wazige vorm van de tafel en de bank, met daarop een heldere, kleurige vlek. De deken die ze om haar naakte lichaam sloeg omdat ze zich wilde verstoppen. Nu hoeft ze zich niet meer te verstoppen. Ze kan niet zien wat anderen zien en niet lezen wat er in de blikken en achter woorden ligt verscholen.

Ze slaat de deken om zich heen en laat zich overspoelen door die herinneringen die het gevoel van het zachte materiaal met zich mee brengt.

Ze brengen haar naar die avond en zijn vingers op haar naakte huid. Naar zijn stem die zacht alle tekeningen op haar lichaam namen gaf en in haar hoofd ziet ze nu toch zijn ogen. Eerlijk en helder. Warm en vol onuitgesproken woorden.

Hij kent haar en hij begrijpt haar en zonder dat hij het hardop hoefde te zeggen, wist ze wat hij haar probeerde te vertellen.

‘Je mag mij nodig hebben.’

Soumia trekt de deken nog steviger rond haar schouders en laat haar tranen stromen, nu zonder woede en oordeel. Aan haar voeten verschijnt de troostende warmte van de labrador. Ze zucht diep.

Ze heeft hem nodig.

Show Buttons
Hide Buttons