Fleur

De ene dag gaat geruisloos over in de andere en haar wereld is gekrompen tot het kleine huis van Vadit, de tuin eromheen en de kassen en bossen erachter. Regelmatig denkt ze terug aan de avond van het ongeluk en haar angst dat hij haar niet zou accepteren. Vadit heeft haar geaccepteerd, volledig. Soms zo volledig dat hij lijkt te vergeten dat ze er is. Hij gaat zijn eigen gang en laat haar ook haar eigen gang gaan. Het zint haar niet. Ze heeft aan zichzelf toegegeven dat ze hem nodig heeft en nu wil ze ook dat hij in de buurt is, of in elk geval weten waar hij is. Zelfs dat geeft hij haar niet. Het maakt haar rusteloos en nu haar ogen met de dag scherper worden, besteedt ze haar uren aan kleine wandelingetjes die haar lichaam uitputten, maar de stroom aan gedachten in haar hoofd meer en meer de ruimte geven.

Ze heeft hem nodig en ze weet dat hij dat ook weet. Praten doet ze niet. Soms doet ze een poging, maar nog steeds blijven haar woorden ergens halverwege haar keel steken. Het is alsof ze niets meer te zeggen heeft. Alsof ze al haar woorden heeft gebruikt. Alsof haar woorden alleen maar gehoord mogen worden als ze echt iets toevoegen aan de wereld om haar heen, aan Vadit en wat hij van haar nodig heeft. Maar heeft hij haar wel echt nodig?

Soms zit hij bij haar en dan praat hij, zij luistert. Hij praat zelden over de toekomst, terwijl Soumia niets liever wil horen dan dat. Zijn toekomst en haar rol daarin. Heel soms raakt hij haar aan, voorzichtig, alsof hij bang is dat ze in tweeën breekt. Zijn vingers liggen dan aarzelend op haar hand of bewegen kort langs de lijn van haar schouders. Of ze er nu op reageert of niet, altijd trekt hij zich weer terug. Soumia snakt naar het gevoel van zijn vingers op haar huid. Ze snakt naar de verkoeling van de hitte daaronder, maar de woorden stokken in haar keel als ze hem wil vragen door te gaan.
Alsof het niet mag. Alsof ze hem niet nodig mag hebben.

Ongeduldig kijkt ze op de klok aan de gepleisterde wand. Waar blijft Dewi?

Het meisje bood niet vrijwillig haar hulp aan, en Soumia kon haar weerstand bijna voelen toen Vadit vanmorgen voorstelde dat ze misschien wat spullen op kon halen voor Soumia. Zelf kon Soumia het niet. Ze vindt het nog steeds moeilijk om hulp te vragen, maar ze heeft wat kleding nodig en haar laptop. Of nee, haar laptop heeft ze niet echt nodig. Alles wat ze daarop vindt heeft te maken met haar vorige leven, voor de nacht met Vadit. Voor hij namen gaf aan alle littekens die het verhaal van haar leven vertellen.

Maar haar laptop geeft haar misschien wel extra afleiding terwijl ze wacht op zijn aanwezigheid en verlangt naar het gevoel van zijn handen.

*

Dewi wacht tot het geluid van de wegrijdende auto helemaal is verdwenen. Wie is die man? En wat is hij van Soumia? Wie is die vrouw die bij hem in de auto zat? Wat weet Dewi eigenlijk van Soumia behalve dat ze haar biologische moeder is? Helemaal niets! Soumia stelt de vragen en wacht op de antwoorden, maar zelf vertelt ze niets. Nu helemaal niet meer. Op een slinkse wijze heeft ze zich in Dewi’s leven gewurmd en ze is van plan daar te blijven en nooit meer weg te gaan, maar Dewi heeft haar niet nodig. Ze heeft een moeder en zelfs die heeft ze niet meer nodig. Ze is geen klein meisje meer. Ze dacht dat Vadit iemand was die haar begreep en die niets van haar verwachte, maar nu begint hij haar ook al te behandelen als een klein kind.

‘Misschien dat jij vandaag wat spullen op kunt halen voor Soumia?’

Het was een simpele vraag en ze had nee kunnen zeggen, maar dan had hij naar de reden gevraagd en daar kon ze geen zinnig antwoord op geven. Ze wilde het niet. Punt.
Soumia had niet bij Vadit mogen zijn, maar ook dat stukje eist ze op, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Alsof Dewi daar toestemming voor gegeven heeft.

Met een zucht haalt ze de voordeursleutel weer uit de zak van haar jas. Ze weet niet goed waarom ze zo boos en juist op Soumia, maar ze haat het. De gedachten die ze over haar biologische moeder heeft, vreten aan haar en ze durft het tegen niemand te zeggen. Iedereen zou delen in de verachting die ze de laatste dagen voor zichzelf voelt.

Ze opent de voordeur en stapt over de drempel met het gevoel alsof ze een inbreker is. Dit is het huis van Soumia, haar leven en het is een leven dat ver van Dewi afstaat omdat ze helemaal niets van de vrouw begrijpt. Nu staat ze in de schemerige hal en wil ze niets liever dan zich weer omdraaien en weggaan. Vadit moet het maar doen, of Adnan, of wie dan ook. Ze hoort hier niet. Misschien had ze hier een plek kunnen hebben, maar ruim zeventien jaar geleden heeft een ander al besloten dat er geen ruimte is voor haar. Sommige dingen kunnen niet meer teruggedraaid worden. Nooit meer.

Haar hart maakt een stuiter in haar borst als in de woonkamer plotseling de telefoon gaat. Het geluid draagt schel door het stille huis en maakt dat Dewi zich even betrapt voelt, maar het gevoel te willen vluchten verdwijnt daarmee accuut. Ze geeft de deur een duwtje en loopt in de richting van de woonkamer, waar ze nu heldere klik hoort en ze spitst haar oren als de ruimte om haar heen gevuld wordt door een een aarzelende vrouwenstem.

‘Soumia …’

Een zucht en een lange stilte.

‘… ik weet niet goed hoe te beginnen …’

Nog een lange stilte.

‘… met Fleur …’

Dewi loopt de woonkamer binnen en blijft bij het dressoir tegen de wand staan. Nieuwsgierig kijkt ze naar het antwoordapparaat naast de telefoon, alsof het ding in staat is haar te laten zien welk gezicht bij de stem hoort. De vrouw klinkt jong, bijna net zo jong als zijzelf.

‘Marc en ik … dat gaat goed, heel erg goed zelfs, maar de afgelopen weken moet ik veel aan je denken. Misschien heb ik niet goed gereageerd. Ik weet niet … Ik zou je graag spreken … als dat kan en als jij dat ook wilt natuurlijk … Ik vraag me af hoe het nu met je gaat en …’

Weer een diepe zucht.

‘… misschien kunnen we opnieuw beginnen?’

Dewi kan de vrouw horen ademen en wacht op wat er nog meer komt, maar er komt niets en na een aantal seconden wordt de verbinding verbroken.

Verward laat ze zich op de bank zakken. Eerst die man en nu deze vrouw. Beiden op zoek naar Soumia, wachtend op haar reactie.

Ze staat weer op. Het zijn natuurlijk mensen van haar werk … Maar het klonk niet als werk. Die man niet en die vrouw al helemaal niet.
Fleur …?
Dewi weet dat alleen een stem niets zegt, maar ze klonk zo jong … Zou het kunnen dat …? Heeft Soumia nog een dochter? En Marc? Wie is dan Marc? En waarom zo aarzelend en voorzichtig? Die man bij de deur was dat ook. Minder dan de vrouw aan de telefoon, maar ook hij was afwachtend. Nerveus ook en een beetje angstig.

Voor wat?

Voor Soumia?

Dewi kijkt naar het briefje in haar hand.

Laptop, de tas staat naast het bureau in de woonkamer, de laders zitten erin, ook die van mijn telefoon.
Wat kleding, twee broeken, een vest of jasje en ondergoed. Alles in de grote kast op mijn slaapkamer.
Mijn wandelschoenen staan in de meterkast, die ook graag.
En mijn toilettas. Vergeet niet mijn dag- en nachtcrème erin te doen.

Plotseling valt de ergernis over haar heen.

Ja mevrouw. Nee mevrouw. Soumia roept en alle anderen draaien, rennen en plooien zich zoveel mogelijk om het haar naar de zin te maken. Waarom praat ze zo? Alsof ze gewend is dat alles gaat zoals zij wil. Alsof ze gewend is dat niemand haar tegenspreekt. Alsof Dewi nog niet jarig is als ze de dag- en nachtcrème wel vergeet.

Stampend verdwijnt ze naar boven en ze gooit de eerste kamerdeur open die ze tegenkomt. Het brede tweepersoonsbed is strak opgemaakt en langs de wand staat een hoge spiegelkast met dubbele deuren. Ruw schuift Dewi een deur aan de kant. Ook de inhoud van de kast is strak. Kleding op hangers, op kleur en lengte. Stijve stapeltjes op de planken en zelfs in de smalle laden liggen slipjes opgevouwen en op kleur, met bijpassende beha’s. Onderin de kast, naast een grote kist, staan schoenen. Laarzen en elegante hoge hakken met bandjes langs de enkels.

Dewi trekt aan de deksel van de kist en laat zich op haar knieën voor de kast vallen als ze merkt dat deze op slot zit. Waarom? Soumia woont hier alleen. Wat kan ze in vredesnaam te verbergen hebben dat ook dan een kist op slot moet?
Nieuwsgierig tast ze over de gladde deksel tot achter de hangende kleding en haar vingers stuiten tegen een vierkante doos. Dewi trekt het naar zich toe. Het is een kleinere kist, van hetzelfde materiaal als de grotere en het zit niet op slot. Ze aarzelt. In haar hoofd klinkt een stemmetje dat haar zegt dat ze moet doen waarvoor ze hier gekomen is. Niets meer en niets minder. Dit is van Soumia en het is privé, anders had het wel beneden op de salontafel gestaan. Soumia heeft dingen waarvan ze niet wil dat anderen het weten en juist die gedachte maakt dat Dewi het deksel van de kleine kist voorzichtig omhoog tilt.

In de zachte voering ligt een zilveren sieraad in de vorm van een druppel en op het moment dat Dewi het tussen haar vingers houdt, realiseert ze zich wat het is. Verschrikt laat ze het vallen. Met een doffe bonk valt het tussen haar knieën.

Wat moet Soumia hiermee?

Ze pakt de smalle ketting en kijkt naar de klemmetjes aan de uiteinden. Nieuwsgierig zet ze het een van de klemmetjes op haar wijsvinger. Pijnlijk strak wordt haar nagel dieper in haar vingertop geduwd.

En dit zet je op …? Maar dat doet toch vreselijk veel pijn …? Doet Soumia dit? Bij zichzelf? Waarom?

Voorzichtig vouwt ze het kleine kartonnen kaartje open en met stijgende verbazing leest ze het sierlijke handschrift van Soumia.

Fleur,

Deze had ik nog voor je aangeschaft, omdat ik zo trots op je ben en omdat je zo goed en steeds beter durft aan te geven wat je nodig hebt. Misschien komt er ooit nog een moment dat ik het je kan geven.

Met al mijn liefde en mijn trots,

Soumia

Peinzend kijkt Dewi voor zich uit. Wie is toch die Fleur?

Show Buttons
Hide Buttons