Pijn om het voelen

Vadit trekt zachtjes de deur van de kas achter zich dicht en wandelt naar zijn huis. Daar roept hij de bruine labrador. Het dier komt met grote sprongen op hem af, springt tegen zijn benen en rent voor hem uit, terug naar de kas. Vadit fluit zacht en loopt de andere kant op. De hond weifelt en blijft zacht jankend staan, kijkend naar zijn baasje en weer naar de kas. Vadit draait zich niet om en met een glimlach hoort hij dat het dier zich gewonnen geeft en achter hem aan komt. Soumia en Dewi hebben op dit moment meer dan genoeg aan elkaar.

Soumia kijkt woedend naar Dewi. Het meisje is achter de hoge bak met zaailingen gaan staan en duikt een beetje in elkaar als Soumia een stap naar haar toe doet. De beweging ontnuchterd haar een beetje, maar niet genoeg om de kokende woede in haar bloed te temperen. Ze doet haar mond open. Haar stem weigert en ze balt haar vuisten. Het geeft haar een angstaanjagende uitstraling en Dewi kruipt onder de bak met zaailingen. Soumia haalt naar haar uit en grijpt het meisje bij haar arm. De pijn in haar nek ontneemt haar even de adem, maar het lukt haar Dewi onder de bak vandaan te trekken. Weer doet ze haar mond open. Het geluid uit haar mond kraakt hees. Ze schudt haar hoofd en duwt haar op een een grote zak potaarde.

‘Jij …’
Ze slaat hard tegen de zijkant van een plantenbak.
‘Jij denkt … dat je alles weet … Dat je weet wie ik ben!? Omdat …’ Ze haalt diep adem. ‘Verdomme!’
Het woord galmt door de openstaande dakramen naar buiten en doet vogels verschrikt opvliegen.
Soumia kijkt Dewi aan en haalt nog een keer adem.
‘Jij denkt dat je weet wie ik ben … omdat je door mijn spullen snuffelt … omdat je een man tegenkomt bij mijn huis … omdat je een vrouwenstem hoort … omdat ik jou twee liefdevolle ouders heb gegeven die alles voor je doen!?’
Ze hijgt en trekt aan de rits van haar vest. Dewi volgt met grote ogen haar bewegingen.
‘Wat doe je?’
‘Hou je mond!’

Soumia’s handen trillen, maar het lukt haar de rits van het vest helemaal naar beneden te trekken en ongeduldig schudt ze het kledingstuk van zich af. In haar beha staat ze voor Dewi.
‘Jij denkt dat mijn leven rustig verder is gegaan … dat ik jou opgaf omdat ik mijn leven niet op wilde geven? Jij denkt dat ik nooit meer aan je heb gedacht!?’
Dewi huilt. ‘Ik wilde niet … het was niet mijn bedoeling om …’
‘Wat Dewi? Wat was niet je bedoeling?’
Soumia draait zich om en in de weerspiegeling van het glas om haar heen ziet ze dat Dewi geschokt haar handen voor haar mond slaat. Waar haar woorden eerst nog haperden, komen ze nu als een standvastige stroom naar buiten. Ze bekommert zich niet om Dewi. Het meisje wil graag volwassen zijn. Dan moet ze ook zien tot welke daden volwassenen in staat zijn.

‘Ieder litteken, jong of oud, draagt jouw naam en heeft jouw gezicht. Je denkt dat ik nooit meer aan je heb gedacht? Kijk maar eens goed. Je bent altijd in mijn gedachten geweest en daardoor kreeg je een terugkerende plek op mijn lichaam. Mijn pijn, van niemand anders en het was er altijd, iedere dag, vanaf de dag dat jouw ouders met jou het ziekenhuis verlieten. Durf je nu nog te zeggen dat je weet wie ik ben en wat mijn drijfveren zijn?’

Ze draait zich weer om en kijkt Dewi aan. Het meisje zegt niets en Soumia knikt.
‘Dat dacht ik al. Wat jij denkt, zijn enkel je gedachten, geen feiten. Als ik jou was, dan zou ik dat vooral niet vergeten.’
Soumia bukt om haar vest weer op te rapen.
‘Ik denk dat het goed is als wij elkaar een tijdje niet zien, maar als je open staat voor een echt gesprek, zonder beschuldigingen en aannames, dan weet je waar je me kunt vinden.’
Dewi staat op, haar stem bibbert. ‘Hier? Blijf je hier, bij Vadit?’
Soumia zucht. ‘Voorlopig hoef ik nergens anders heen.’

Haast strompelend verlaat ze de kas. De spieren in haar nek en schouders protesteren en sturen de pijn kloppend door haar hele lichaam. Haar keel brandt. Ze heeft genoeg gezegd. Voorlopig heeft ze meer dan genoeg gezegd.

Dewi twijfelt. Ze wil achter Soumia aan gaan en nog een keer zeggen dat ze het niet zo heeft bedoeld. Ze was boos op de aandacht en tijd die Soumia van Vadit kreeg en opeiste. Ze was ook boos omdat ze haar behandelt zoals ieder ander. Ze is niet meer boos. Alleen maar verward en gekwetst als ze ziet dat Vadit verschijnt en beschermend zijn armen rond Soumia slaat. Ze dacht dat hij haar zou begrijpen, dat ze hem kon vertellen over haar verwarrende gevoelens en de vreemde verlangens die haar soms in beslag kunnen nemen. Over de hitte in haar hoofd en in haar lichaam.

Heeft Soumia haar dat laten zien? Heeft zij dezelfde hitte, veroorzaakt door dezelfde gedachten? Maar ze had het over pijn. Haar hitte doet geen pijn. Het gloeit, dat wel, maar het is een prettige gloed die oplaait bij bepaalde gedachten. Fantasieën waar ze zich voor schaamt omdat ze niet weet waar ze vandaan komen. Het laaide ook op toen ze die vreemde sieraden in Soumia’s kast vond en het maakte haar kwaad. Omdat Soumia het wel weet en mensen heeft gevonden waar ze het mee kan delen. Fleur, die man … Vadit?

Ze kijkt op en ziet hem terugkomen naar de kas. Snel en zonder erbij na te denken graait ze sieraden tussen de bloeiende rozen weg en stopt ze in haar zak. De kasdeur gaat open. Vadit kijkt haar aan.
‘Ik breng je naar huis Dewi.’
‘Omdat zij gezegd heeft dat ik weg moet?’
‘Nee, omdat het al laat is en ik je ouders niet onnodig ongerust wil maken.’
Dewi loopt zonder iets te zeggen achter hem aan naar de blauwe bestelwagen en stapt zwijgend in als hij het portier voor haar open houdt. Ook tijdens de rit naar huis, zegt ze geen woord. Vadit doet geen moeite de stilte te doorbreken en kijkt haar pas aan als hij stilhoudt in de straat waar Dewi woont. Hij glimlacht.
‘Tot snel.’
Ze kijkt hem niet aan. ‘Het was niet mijn bedoeling … Niet dit. Niet zo … Ik wilde Soumia alleen maar duidelijk maken dat …’
Dewi weet niet wat ze haar duidelijk wilde maken. Ze weet ook niet goed wat ze had verwacht. In het huis van Soumia leek alles helder, maar nu …?

Vadit legt zijn hand op haar arm. ‘Maak je geen zorgen. Soumia heeft last van haar eigen monsters. Het is niet jouw schuld.’
‘Ze wil me niet meer zien.’
‘Wil jij haar zien?’
Dewi zucht. ‘Ik weet het niet.’
Hij buigt voor haar langs en opent het portier. ‘Geef het tijd en laat het even bezinken. Ik zou het jammer vinden als je mijn huis niet meer weet te vinden.’
Ze knikt, stapt uit en kijkt hem na tot hij de hoek om is geslagen. Ze kijkt naar haar huis. De gordijnen beneden zijn al dicht, maar haar ouders denken dat ze bij Vadit is, om Soumia te helpen. Een leugen. Haar ouders vertrouwen Vadit, en Soumia. Ze hebben geen reden dat niet te doen. Dewi is de enige die niet te vertrouwen is.

Ze draait zich om en steekt haar handen diep in de zakken van haar jas. Ze voelt het kettinkje met de klemmetjes en de gladde, koude kegel. Dewi is niet gek. Ze weet wat het is. Op internet is alles te vinden, zelfs als je er niet naar zoekt, maar Dewi zocht wel. Gewoon, uit nieuwsgierigheid en ze vond veel meer dan ze zocht, maar ze weet nog steeds niets. Soumia wel. Zij weet, zij doet. Bij zichzelf en bij anderen. Die vrouw op het antwoordapparaat. De spullen in Dewi’s zak waren voor haar bedoeld. Doet Soumia dat, bij een vrouw? Is ze dan Bi-seksueel? Of is dat te simpel. Heeft het überhaupt wel met seks te maken of is het iets wat Dewi zag en las op websites waar ze per abuis terecht kwam. Verhalen, foto’s, filmmateriaal zelfs van iets wat niet echt kon zijn. Een spel. Maar Soumia is echt? Betekent dat dan dat het geen spel is?

Zonder het in de gaten te hebben is ze in de richting van haar school en naar de punt gewandeld. Het is er uitgestorven. Totaal anders dan overdag. Dan is het druk en levendig. Moeders met kinderen in de speeltuin, Colette en andere klasgenoten in het gras aan het kanaal. Muziek uit de snackbar.

Dewi gaat op een van de schommels zitten en wiegt langzaam heen en weer. Colette is geen vriendin. Niet in die betekenis van het woord. Ze is iemand waar Dewi mee omgaat en iemand die ze totaal niet begrijpt. Al dat dwepen en dat duffe gegiechel om maar in het middelpunt van de belangstelling te staan. Fluisteren over seks, over wie het al gedaan heeft en met wie. Hoe heerlijk het is om klaar te komen. Dewi weet dat het lekker is, maar heb je daar echt een ander voor nodig als je eigen vingers het ook weten te klaren. Voegen die klemmetjes daar iets aan toe? En die kegel?

Ze haalt het kettinkje met de klemmetjes uit haar zak en zet ze in de huid van haar vingertoppen. De tandjes zijn scherp en maken dat ze haar bloed voelt kloppen.

Ze kijkt om zich heen. Zou ze het durven? Hier? Alleen maar even om te weten hoe het voelt? Niet op de toppen van haar vingers, maar daar waar het voor bedoeld is? Op het kaartje stond dat Soumia trots was op die Fleur. En dat vertelt ze haar met klemmetjes? Dan moet het toch een prettig gevoel zijn?

Langzaam knoopt ze haar jas los. Ze trekt haar shirt omhoog en de cups van haar beha naar beneden. Haar tepels worden meteen stijf. Twee harde knopjes door de koele avondlucht. Twee kleine vingertopjes. Meer is het niet. Ze duwt een van de klemmetjes open en houdt het rond haar linkertepel. Nu gewoon loslaten, zodat de tandjes zich vast kunnen bijten in haar huid. Als Soumia het kan, dan zij toch zeker ook. Het is niet moeilijk. Gewoon een kwestie van doen.

Dewi knijpt haar ogen stijf dicht en laat het klemmetje vieren. De tandjes zetten zich scherp in haar harde tepel en ze spert haar ogen wijd open. Ze zuigt haar longen vol. Diep. Langzaam. De tranen springen haar in de ogen. De pijn is heet en fel en heel even is het alsof er niets anders is dan dat. Dan ebt het weg, met bonzende golven. Ze kijkt naar haar tepel en ziet hoe de tandjes in haar huid liggen verzonken. Voorzichtig raakt ze het klemmetje aan. De pijn laait weer op en ebt weg. Het ritme herhaalt zich iedere keer dat ze een voorzichtig tikje tegen het metaal of haar tepel geeft en het verspreidt zich steeds wijder. Als kringen in een plas water. Eerst in haar tepel, dan eromheen. Een steeds groter wordende cirkel, tot het gevoel zich niet alleen meer concentreert in haar tepel, maar op een hele aparte manier zijn weg heeft gevonden naar haar buik en nog lager. Ze aarzelt niet bij het tweede klemmetje en het gevoel herhaalt zich. Heet, dovend en weer oplaaiend als haar vingers tasten, duwen en tikken. Heen en weer, als een lus. Ze vergeet waar ze is. Ze vergeet zelfs haar aanvaring met Soumia. Dit gevoel is alles en met gesloten ogen speelt ze ermee zonder zich af te vragen wat het precies is.

Hoe lang ze op de schommel zit, maar ze schrikt op uit haar verzengende trance door het geluid van haar telefoon. Op het scherm verschijnt de naam van haar vader en ze ziet de tijd. Bijna middernacht. Ze zit hier al zeker anderhalf uur. Met een schorre stem neemt ze op.

‘Ik kom eraan pap. Vadit brengt me nu naar huis.’

Het kost haar moeite haar hoofd en haar lichaam terug te brengen naar waar ze is en ze brengt aarzelend haar vingers naar beide klemmetjes.

Ze waren bedoeld voor Fleur. Nu zijn ze van haar, de kegel ook.

Ze hapt naar adem als ze beide klemmetjes opent en de pijn vurig los lijkt te komen. Ze zucht hijgend om het gevoel op te vangen en zonder dat ze het wil stromen haar ogen nu echt vol. Het is de natuurlijke reactie van haar gestel op de pijn, maar het is een zinnelijke pijn.
De stof van haar beha, haar shirt, haar jas. Het schuurt gevoelig en blijft schokjes naar andere plekken sturen.

Langzaam loopt ze naar huis. Met haar handen diep in de zakken van haar jas en haar vingers strelend langs het scherpe metaal dat deze vreemde sensaties in haar lijf, maar vooral in haar hoofd heeft veroorzaakt.

Show Buttons
Hide Buttons