Andere tijden

Valerie voelt dat haar ogen dik zijn en de huid van haar gezicht brandt. Ze hoeft niet in de spiegel te kijken om te zien dat haar wangen en ogen rood zijn. Het is al dagen zo. Om het minste of geringste zit ze te huilen. Het pak melk dat ze uit haar handen laat vallen. Femke en Milan die voor de zoveelste keer iets vergeten zijn, waardoor ze voor de zoveelste keer te laat op school komen. Het nieuwsbericht. Het bejaarde stel dat ze tegenkomt, hand in hand. En nu de woorden van Zoë. Niet het minste of geringste. De woorden van Zoë zijn hard. Zoë is boos. Ze is al jaren haar vriendin, maar zo boos als ze nu is heeft Valerie haar niet eerder gezien.

Valerie kijkt in haar beker koffie, terwijl de woorden haar een voor een raken en nog meer tranen veroorzaken.
Valerie liegt, om er zelf beter van te worden. Ze is verwend. Alles komt haar aanwaaien, maar haar problemen oplossen kan ze niet. Ze probeert het niet eens. Liever verzint ze een verhaal zodat haar leugens niet uit zullen komen. Leugens die nu naar Zoë terug zijn gekomen. Die Zoë misschien wel in moeilijkheden brengen.
Wat voor een woorden ze er ook tegenin probeert te brengen. Zoë weerlegt ze allemaal. Het beeld dat Valerie van zichzelf krijgt, is het beeld van een vrouw die oneerlijk is en egoïstisch, alleen maar met zichzelf bezig en geen oog voor wat er om haar heen gebeurt.
Verwend, gewend aan luxe en nooit tevreden, altijd op zoek naar meer en beter. Het is het beeld van een vrouw die Valerie niet zou mogen.
Ze haalt haar neus op. ‘Jij hebt makkelijk praten. Jij hebt je winkel en nu ook een spannende relatie. Ik heb niks en Raymond slaapt al weken op de logeerkamer. Hij is alleen maar aan het werk.’
‘Je doet ook niet echt je best om het leuk voor hem te maken.’
‘Het kan hem niet schelen.’
‘Omdat hij denkt dat het jou niks kan schelen.’
‘Hij zegt dat jij een slechte invloed op me hebt.’
‘En dat komt je op dit moment bijzonder goed uit. Schuif alles maar af op Zoë. Jij bent vreemdgegaan. Niet ik, niet Raymond. Jij.’
‘Het was niet … ik ben niet vreemdgegaan!’
‘Ik weet wat ik gezien heb Valerie. Als jij dat normaal vindt dan kom je echt onder een steen vandaan.’
En weer stromen de tranen. Zoë vindt het ook, net als Raymond. Ze is simpel, haar wereld klein. Simpel en verwend. Ze is niet simpel.
‘Ik kan het Raymond niet vertellen Zoë. Als hij het weet, dan ben ik hem echt kwijt. Ik wil hem niet kwijt.’
‘Ik vind dat je het hem moet vertellen. Je moet eerlijk zijn. Vertel hem wat je voelt en wat er precies is gebeurd. Raymond trekt echt de deur niet achter zich dicht.’
‘Hij zal woest zijn.’
‘Terecht en wees blij, als hij zijn schouders erover ophaalt dan weet je zeker dat het einde oefening is.’
Die gedachte was nog niet eens bij Valerie opgekomen. Wat als het zo is? Wat als het hem niets kan schelen? Dan maakt het niet meer uit. Dan is ze hem evengoed kwijt.
‘Ik kan het hem niet vertellen.’
‘Dan vertel je het hem niet, maar ik wil dat hij weet dat jouw verhalen over mij niet kloppen. Je verzint maar iets. Ik ga niet opdraaien voor iets wat op jouw schouders ligt.’
Zoë staat op, Valerie schrikt en begint weer te huilen.
‘En jij en ik?’
‘Jemig Valerie, stel je niet zo aan! Hoe lang ken je me nou?’
‘Maar je bent boos, kwaad.’
‘Ja en dat is mijn goed recht, dat zegt niet dat ik zomaar verdwijn. Je bent mijn vriendin, en vriendinnen vertellen elkaar waar het op staat. Je moet verantwoordelijkheid nemen voor de dingen die je doet en je leven in eigen handen nemen. Niemand kan het voor je doen Vleer. Je moet het zelf doen.’
‘En wat ga jij doen?’
‘Ik ga nu terug naar de winkel, ik ben al later dan anders. Laat me weten wat je doet en laat me weten hoe het met je gaat. Het heeft geen zin jezelf op te sluiten en de boel te laten verslonzen. Dat past niet bij je.’
‘Ik mag je bellen?’
‘Nee, je moet me bellen. En kleed je aan, ga hardlopen, sporten, ruim je huis op en praat met Raymond. Zeg wat je denkt dat nodig is, maar praat. Hij kan niet in je hoofd kijken.’
Ze geeft haar een zoen op haar wang en een stevige omhelzing waardoor Valerie weer begint te huilen. Zoë lacht.
‘En stop met huilen Vleer, dat past ook niet bij je. Je bent je moeder niet. Toch? Ik ben in de winkel, als je me nodig hebt dan weet je me te vinden.’

Valerie blijft tegen het aanrecht staan. Ze is haar moeder niet nee en nu al helemaal niet. Ze kijkt gelaten naar de troep om zich heen. Vaat van een aantal dagen op het aanrecht, de vaatwasser vol. Tijdschriften en speelgoed op de tafel. Vuile theedoeken … Dat zou niets voor haar moeder zijn. Die kon hele dagen janken, maar het huis zag er spik en span uit. De buitenwereld hoeft niet te weten dat het niet goed gaat.

Ze gaat niet sporten. Dat kan morgen ook, misschien weer een rondje door het park. Het is al eeuwen geleden, maar morgen is vroeg genoeg. De zooi om haar heen staat haar plotseling tegen. De oude handdoeken in de wasmand ook. Die zijn nodig aan vervanging toe. Net als de theedoeken en de wasmand heeft ook zijn beste tijd wel gehad. Ze moet de aannemer bellen over de verbouwing van de garage, dan kan het washok daarheen.
Valerie winkelt in het grote warenhuis. Ze drinkt een kop koffie en koopt nieuwe, zachte handdoeken in warme kleuren, een stevige, rieten wasmand. Misschien moet ze de badkamers ook opnieuw laten doen.
Terwijl ze in de rij staat maakt ze een lijstje. De tuin moet ook gedaan, wie had ze vorig jaar ook weer gevraagd? Misschien kan ze de vijver laten verplaatsen, dichter bij het huis. Femke en Milan kunnen allebei zwemmen.
Ze legt haar boodschappen op de mand. De kassière glimlacht en slaat de handdoeken aan, de wasmand. Spaart ze ook zegels? Nee, ze spaart geen zegels of … misschien wil Zoë?
‘Doe toch maar wel.’
Haar pas door het apparaat, een lange piep. Pas geweigerd, betaal op een andere manier. Nog een keer, dezelfde boodschap.
De kassière glimlacht en knikt als ze vraagt of ze ook met haar creditcard kan betalen. Ze haalt het ding door het apparaat. Twee keer, drie keer. Pas geblokkeerd.
Ze krijgt het warm. Ze heeft gisteren nog … Hoe kan dit?
‘Het spijt me, ik weet niet wat … Kan ik het later op komen halen?’
De kassière glimlacht, iets minder vriendelijk nu, slaat met een zucht het bedrag af en belt een collega.
‘Wil je even wat spullen komen halen, het moet terug in de winkel.’
‘Maar ik …’
Het is niet wat ze denkt. Valerie heeft geld. Ze heeft altijd geld. Het ligt vast aan de winkel. Ze haalt wel geld, dan betaalt ze contant.
Bij de pinautomaat gebeurt hetzelfde. Ze belt Raymond, hij neemt op. Zijn stem klinkt vermoeid.
‘Ik heb het druk Val.’
‘Er is iets mis. mijn pas, de creditcard. Wil jij de bank even bellen?’
‘Daar heb ik nu geen tijd voor, ik zal vanavond even kijken oké.’
‘Maar dan …’
‘Vanavond Val, ik zie je dan.’
Hij heeft opgehangen. Valerie gaat gefrustreerd naar huis, ziet de bende en ploft neer aan de keukentafel. Ze had zich beter moeten voelen. Nieuwe spullen geven haar altijd een goed gevoel, een beter gevoel. Nu voelt ze helemaal niks.

Raymond zucht. Hij had het haar vanavond willen vertellen. Zijn rekening, salaris, zijn bonus. Het geld verdwijnt, als sneeuw voor de zon. Op de spaarrekening staat nog minder dan de helft van wat het had moeten zijn. Valerie smijt het over de balk. Spullen die ze niet nodig hebben, verbouwingen die niet nodig zijn. Hij wist het en hij heeft het altijd geweten. Hij heeft er nooit wat aan gedaan.
Ze zegt dat ze de luxe niet nodig heeft. Ze mag het hem laten zien. Hij heeft een rekening voor haar geopend en er een bedrag op gestort. Ruimschoots voldoende voor de rest van de maand. Ze mag gaan bewijzen dat ze de luxe niet nodig heeft.
Voortaan bepaalt hij waaraan en of er extra geld wordt uitgegeven.

Show Buttons
Hide Buttons