Zin door zin te maken

Valerie loopt langzaam over het grote plein naar de winkels aan de overkant. De winkel van Zoë. Het is de zoveelste keer dat ze er langs gaat na die vroege ochtend. Er waren veel mensen op het plein. Zoë was er met die man en die vrouw. Haar stem hoog en schril. Huilend om haar spullen, haar winkel. De brandweer was druk met blussen en mensen op afstand houden. Dikke rookwolken stegen op uit het pand en hitte was voelbaar. Een grote brand. Haar schuld.
Raymond had haar tegen willen houden, ze had zijn hand van haar arm geschud. Zoë moest het weten. Valerie wist dat ze het niet zou kunnen dragen, ze moest het haar vertellen. De kaarsen. Omdat Raymond haar nog wilde zien. Haar haast om naar de afspraak met Louisa te gaan. Een avondje zonder Raymond, zonder de gedachten aan wat ze allemaal niet is. Ontspanning.
Zoë had haar eerst niet gehoord. De woorden leken van haar af te glijden.
‘Ik moet naar binnen… Het kan niet. Het mag niet!’
De man naast haar stelde zich voor. Minggus. Wat is dat voor een naam. En dan die vrouw, met haar sieraden en lange gewaad. Wie kleedt zich nog zo uitheems.
Hij noemt Zoë Cara. Het zal vast een betekenis hebben. Alleen zijn woorden leken tot Zoë door te dringen. Ze had een vreemde blik in haar ogen als ze naar hem keek. Valerie weet het niet, bijna alsof ze alles in de handen van die man had gelegd. Niet dat de paniek verdween, maar hij kreeg haar rustiger. Zodat ze kon luisteren naar haar woorden. Haar schuld.
Valerie had alles verteld, ook over Louisa en dat ze boos en jaloers was geweest. Hoe schuldig ze zich voelde toen ze het cadeau had gevonden. Haar verlangen iets terug te doen. Voor Zoë, voor de winkel.
‘Het kan, jij hebt het ook gezegd. Ik weet sfeer aan te brengen.’
Woorden die probeerden te verzachten wat niet te verzachten viel.
‘Het spijt me zo Zoë, het spijt me zo.’
Het spijt haar nog. Ook dat ze niet heeft gewacht. Het was niet het juiste moment. Raymond had gelijk. Het heeft geen zin en later zal het niet meer uitmaken. Nu maakte het nog wel uit. De verbijstering van Zoë over de vlammen die aan haar werk vraten. De schade van het water. Nu zocht ze nog een schuldige, iemand om naar te wijzen. Valerie had het haar gegeven. Op het verkeerde moment.
Zoë had niets gezegd. Dat vond Valerie nog het ergste. Ze had haar alleen maar aangekeken. Met ogen die haar voor het eerst leken te zien. Ontzetting die maakte dat Valerie haar armen om haar heen wilde slaan. Haar eigen schrik toen Zoë haar wegduwde met een blik die plaats had gemaakt voor minachting. Een blik die ze voor zich blijft zien, wat ze ook doet.

Ze gaat op een bankje zitten. Er staat een grote bus van een schoonmaakbedrijf voor de winkels. Spullen worden naar buiten gedragen en weggebracht. Naar een opslag? Valerie hoopt het. Ze hoopt dat het meevalt. Dat niet alle spullen onherstelbaar beschadigd zijn. Dat de winkel in ere herstelt kan worden. Zoals het was. Ze zal Zoë helpen, waar ze kan. En ze zal er niets voor vragen. Nooit. Het is het minste wat ze kan doen.
Voor de zoveelste keer probeert ze haar te bellen. De zachte stem van Zoë die haar vertelt dat ze er niet is, maar dat ze terug zal bellen als ze iets inspreekt. Ze belt niet terug. Valerie heeft haar niet meer gesproken sinds die ochtend. Zoë had haar genegeerd, ondanks de woorden van die man.
‘Niemand heeft schuld. Het is een ongelukkige samenloop van omstandigheden.’
Heel ongelukkig. Het idee dat ze Zoë kwijt is, dat ze Zoë al kwijt was aan die man. Ze moet haar helpen. En Zoë zal haar hulp accepteren. Of ze nou wil of niet. Ze zal niet anders kunnen. Valerie heeft geld. Geld dat Zoë nu goed kan gebruiken.

Raymond probeert het uit haar hoofd te praten, elke keer dat ze erover begint. Ook nu. Hij weet wat ze denkt. Het geld van haar ouders. Geld dat voor Valerie is bedoeld. Een fonds. Ze heeft het nooit nodig gehad. Ze was naar haar vader gegaan. Hij had het haar niet willen geven. Niet om te gebruiken aan zaken die ze eigenlijk niet nodig had. Nu heeft ze het nodig. Voor Zoë. Met haar geld. Ze kunnen het samen doen. Het is een investering. Haar vader zal het haar niet weigeren, maar Raymond is fel tegen haar plan.
‘Je moet de feiten accepteren Valerie. Ze wil jouw hulp niet. Misschien als je het haar niet had verteld, maar ze weet het nu en zoekt een schuldige. Die winkel is haar alles.’
Niet meer. Valerie heeft het gezien. Die man is veel belangrijker. Belangrijker dan Valerie ooit voor haar geweest is.
‘Zet het uit je hoofd Val. Zelfs als je vader akkoord gaat. Ze wil het niet. Ze heeft jou niet nodig.’
Het gaat in haar borst zitten en haar buik. Misschien heeft hij gelijk, misschien is de vriendschap nooit zo geweest zoals ze dacht. Zo makkelijk als Zoë haar nu laat vallen. Al haar telefoontjes, haar pogingen het goed te maken. En ze heeft schuld bekend. Zoë kan niet eeuwig boos blijven. Er komt een moment dat ze bij zal draaien.
‘Het moet slijten, misschien niet nu. Ze is mijn vriendin Ray, dat blijft. Door dik en dun. Altijd. Het maakt niet uit wat je zegt. Ze komt terug en dan zal ze me dankbaar zijn. Omdat ik haar kan helpen.’
‘Je leeft in een droomwereld Val. Kom, we gaan naar bed.’

Ze gaan altijd samen naar bed. Nooit meer apart. Raymond en zijn idiote fantasieën ook. De nacht na de brand vertelde hij het haar, zijn hoofd was alweer ergens anders. Het raakt hem niet. Zoë is niet belangrijk voor hem. Hij wil dat ze Zoë vergeet.
‘Zoë vergeet jou ook en je hebt haar niet nodig. Je hebt Louisa, Adnan en Naomi. Mij.’
Hij had het ergens gelezen. Ze vindt het stom en idioot. Wie doet zoiets.
‘Wij doen het Valerie, ik wil dat. Zodat je nooit meer zal zeggen dat ik geen aandacht voor je heb en dat ik niet tegemoet kom aan jouw verlangen of jouw fantasieën. Vanaf nu delen we alles, een jaar lang, elke dag.’
Hij is gek. Een jaar lang, elke dag seks. Ze weet niet waar hij het gelezen heeft, maar ze vindt het een achterlijk streven. Ze hoeft niet elke dag. Gewoon meer passie als ze het doen en anders dan ze gewend zijn. Het begin is er, maar het hoeft niet dagelijks. Ze heeft geen zin in dagelijks.
‘Dan maak je maar zin. Geen zin in seks bestaat niet en masturberen mag ook. Zolang het maar samen is, nooit meer alleen. Het is van ons. Niet voor jou alleen.’
Valerie verlangt terug naar een avond vroeg naar bed, zonder Raymond, maar met een boek. Als hij laat werkt, dan wil hij dat ze op hem wacht. Wacht ze niet, dan zal hij haar wakker maken. Ze gelooft hem niet. Hij kan haar niet dwingen om elke dag seks te hebben. Als ze niet wil, dan wil ze niet.

‘Ik ga morgen naar mijn vader, ik ga het hem vragen.’
Hij legt zijn hand op haar mond en streelt haar. Liefkozingen waar ze niet op zit te wachten. Niet vanavond. Het gaat zoals het altijd ging. Korte strelingen, langs haar borsten, tussen haar benen. Hij is al opgewonden, maakt haar net genoeg vochtig voor hij op haar gaat liggen en bij haar naar binnen komt. Haar lijf staat op de automatische piloot. Zo ging het altijd. Haar gedachten zijn bij Zoë en bij haar vader die zal willen dat ze Zoë helpt. Het is het juiste om te doen. De stem van Raymond jaagt de gedachten even weg. Hij zegt wat hij doet en de woorden winden haar toch op.
‘Elke dag Valerie, een jaar lang. Jij en ik en onze fantasieën, ons verlangen.’
Haar heupen komen hem tegemoet.
‘Alle speeltjes, nog meer speeltjes, we kopen ze samen.’
Ze slaat haar benen om hem heen en trekt hem steviger tegen zich aan, dieper.
‘Ik wil je neuken als je hakken draagt, buiten, op plekken waar het niet kan, op mijn werk. Je komt een keer naar mijn werk.’
Zoë verdwijnt. Haar plannen verdwijnen. Zin krijgen door zin te maken. Woorden die ze nooit geloofde.
Ze weet nu dat het waar is. Raymond weet ook dat het waar is.

Show Buttons
Hide Buttons