Confrontatie

‘Praat’ had hij gezegd, maar Zoë wilde het niet. Niet zo, en niet midden in de nacht. Ze wil hem aankijken als ze het probeert uit te leggen en ze wil gewoon ergens koffie drinken. Bij een druk restaurant of café. Ze wil niet alleen met hem zijn.
Hij had ja gezegd, en de volgende avond genoemd.
Nu zit ze aan een tafeltje op het drukke terras.
Hij had gezegd dat ze zich niet druk moest maken, dat hij het wel begreep. Zoë vraagt zich af of dat echt zo is en waarom hij haar dan niet helpt. Van alles wat ze de afgelopen dagen heeft gelezen begrijpt ze dat ook dat een onderdeel is van zijn rol. Of dat het onderdeel zou kunnen zijn van zijn rol.
Hij komt aanlopen, rustig en relaxed, zoals ze hem de eerdere keren ook heeft gezien en gaat naast haar zitten. Hij kijkt haar aan. Net zo rustig en relaxed. Zoë wordt nerveus van zijn ogen en dat wil ze niet. Hun afspraak is echt bedoeld om gewoon te praten. Niets anders.
Hij blijft haar stil aankijken, bestelt koffie en verbreekt de stilte pas als de serveerster de koffie heeft neergezet en wegloopt.
‘Nou? Praat dan teefje.’
Zoë krijgt een kleur, kijkt geschrokken om zich heen. Norman lacht.
‘Wat wilde je kwijt? Spijt van laatst?’
Ze knikt. ‘Een beetje wel ja…’
‘Waarom? Het was toch geil?’
‘Ik vond het eng, ik was ook bang…’
‘Maar je vond het ook geil… je begint nog maar net, maar ik denk dat ik jou ver kan krijgen.’
Zoë wil niet dat hij haar ver krijgt. Ze wil dat hij oog heeft voor haar grenzen, dat hij haar helpt die te onderzoeken. Ze wil niet dat hij haar er over heen duwt. Wat hij zegt klinkt onheilspellend, niet geruststellend, zoals ze eigenlijk had gehoopt.
Norman buigt zich naar haar toe, praat zacht. ‘Ik wil weten wat er allemaal in je hoofd zit.’
Weer krijgt ze een kleur. Er zit veel te veel in haar hoofd. Beelden waarvan ze niet weet waar ze vandaan komen. Verlangens die ze geen naam kan geven.
‘Dat kan ik niet vertellen…’
‘Vertel!’
Hij verheft zijn stem een beetje. Een aantal mensen kijken, verbaasd. Zoë ziet fronsende wenkbrauwen. Ze schudt haar hoofd. Norman praat weer zachter.
‘Wat vond je de laatste keer het geilst?’
‘Ik was vooral bang.’
‘Dat hoort erbij, en dat is ook geil. Ik vind dat geil.’
‘Dat ik bang ben?’
‘Ja, dat triggert mij enorm. Het idee dat je misschien echt niet wilt.’
‘Ik wilde het ook niet, en ik wil het wel willen.’
Norman lacht. ‘Dan moeten we daar aan werken. Ik weet dat ik fout ben, maar jij bent dat ook. Als je echt niet zou willen, dan zou ik dat weten. Ik ben geen idioot.’
‘Maar ik wilde het niet, niet zo…’
‘Jawel. Je weet alleen nog niet precies hoe en wat, maar daar kom je nog wel achter.’
Ook dat klinkt onheilspellend. Zoë weet niet of ze het hem niet goed duidelijk weet te maken, of dat hij haar gewoon niet wil snappen. Norman rekent af, pakt haar bij haar pols.
‘Jij bent gewoon een lustslet, een geil hoertje. Die herken ik van een kilometer afstand. Je wilt gewoon gebruikt worden.’
Zoë schudt haar hoofd. Het kan niet zijn zoals hij het zegt. Ze weet zeker dat het anders is. Norman versterkt zijn greep om haar pols.
‘Ik weet wat jij bent, en daarom pas je bij mij… je komt er nog wel achter.’
Hij staat op, trekt haar overeind. ‘Kom, ik woon hier vlakbij. Je gaat met mij mee.’
Zoë probeert zich los te trekken. Zijn vingers sluiten zich pijnlijk strak om haar pols. Ze wil niet met hem mee. Niet als ze nog steeds bang is, niet als ze het gevoel heeft dat het echt niet uitmaakt wat ze zegt of wat ze wil. Als ze nu meegaat dan zal hij haar weer gebruiken, net als de vorige keer. Ze is nog steeds nieuwsgierig, wil nog steeds weten en voelen wat het is, maar niet op deze manier.
Norman houdt zijn gezicht dicht bij het hare, de toon in zijn stem is dreigend.
‘Geen nee. Je weet wat ik tegen je heb gezegd.’
Hij loopt weg, probeert Zoë met zich mee trekken. Als dat niet lukt pakt hij haar ruw bij haar bovenarm.
‘Als jij een scene wilt schoppen, prima. Het kan mij niet schelen wat mensen denken.’
Wat hij zegt, sterkt haar nog meer. Ze kan niet met hem mee, ze wil niet met hem mee. Er is geen misschien. Ze is echt bang.
Mensen kijken, ze ziet het en ze schaamt zich. Mensen kijken, maar niemand doet iets. Norman trekt haar mee en Zoë laat zich meetrekken. Ze wil niet met hem mee, maar ze wil ook niet het middelpunt zijn van een scene.

Wat er vervolgens gebeurt gaat snel. Vanuit haar ooghoeken ziet ze iemand op hen afkomen, het gebeurt in een flits. Norman laat haar abrupt los, staat stil. Zoë hoort een kalme stem. ‘Je kunt haar beter loslaten.’
Norman is even van zijn stuk gebracht. Hij kijkt op, fel. Geïrriteerd dat iemand het waagt zich met zijn zaken te bemoeien. Wat in zijn hoofd zit neemt grote proporties aan en die beelden laten zich niet wegjagen, door niemand.
De man is donker en haast een kop kleiner dan hij is. Zijn haar is lang en zwart, hangt in een staart op zijn rug. Hij draagt een zwarte leren jas met gele strepen en letters op de borst. Norman ziet vaag het embleem op de rug. Geel met zwarte letters, een indianenhoofd. Norman snuift. ‘Waar bemoei jij je mee!’
‘Dit lijkt me een goed moment om gewoon weg te lopen.’
Norman pakt Zoë weer bij haar arm. ‘Meekomen!’
Niemand vertelt hem wat hij wel en niet kan doen.
Er klinkt een harde klap, Norman vloekt en Zoë valt tegen de tafel aan. Ze doet een stap naar achteren en gaat beduusd op een lege stoel zitten. Langzaam voelt ze haar gezicht rood worden.
Nog meer woorden, de harde stem van Norman, een tweede klap. En nog één.
Norman heeft zijn hand bij zijn neus. Hij kijkt woedend van Zoë naar de man, wil uithalen, maar bedenkt zich. Hij mompelt wat, noemt Zoë een hoer en loopt dan vloekend weg, zijn hand nog steeds om zijn neus.
Zoë schaamt zich. Ze durft niet om zich heen te kijken. De man gaat tegenover haar zitten. Ze kijkt hem voorzichtig aan, hij steekt zijn hand naar haar uit.
‘Minggus, aangenaam.’

Show Buttons
Hide Buttons