Groot in klein zijn

Zoë zegt zacht haar naam en kijkt de man die tegenover haar is gaan zitten aan. Hij kijkt vriendelijk terug. Hij moet gehoord hebben wat Norman tegen haar zei. Het dwingende, de woorden die hij gebruikte. Hoe hij haar noemde.
Ze is blij dat Norman weg is, maar ze had liever dat hij zonder tussenkomst van deze man ging. Nu lijkt het of ze niet in staat is om voor zichzelf te zorgen. Ze kan prima voor zichzelf zorgen, dat heeft ze altijd gedaan.
Maar nu is Norman weg. Blijft hij weg? En dan? Alles weer terug in de kast? Dat kan niet, dat wil ze ook niet. Haar nieuwsgierigheid is niet ineens verdwenen. Dat Norman niet past zou duidelijk moeten zijn, maar hij is wel de enige die haar iets meer kan vertellen over wat zij is. Hoe kan ze daar nu mee verder? Waarom heeft ze toch het gevoel dat ze hem daarbij nodig heeft. Ze heeft niemand nodig.

Zoë heeft niet door dat haar emoties op haar gezicht te lezen zijn. Eerst schaamte, opluchting, het gevoel van afhankelijkheid en twijfel daarover. De waas van boosheid en uiteindelijk de blik die zegt dat ze prima voor zichzelf kan zorgen. Minggus volgt het met interesse en wacht tot ze hem weer aankijkt.
‘Nog wat drinken Zoë, op onze kennismaking?’
‘Waarom? Wie ben jij eigenlijk?’
Minggus lacht. Toch minder onzeker dan ze op het eerste gezicht lijkt. Ze heeft haar emoties weer in de hand, maar hij heeft het goed gezien. De confrontatie van zoeven, wat hij bij haar zag, bij die man. Minggus heeft genoeg mannen als Norman gezien. Mannen die denken te weten waar ze het over hebben en dat ook uit weten te stralen naar vrouwen als Zoë. In elk geval voor een tijdje. Lang genoeg om een vrouw als Zoë te laten denken dat het normaal is, dat het erbij hoort. En Zoë is er gevoelig voor. Dat ziet hij ook. Het is jammer dat ze tegen een type als Norman aan is gelopen.
‘Minggus, ik heb me net voorgesteld.’
‘Waarom kwam je tussenbeide?’
‘Je zou met hem mee zijn gegaan. Dat leek me niet wenselijk.’
‘Wat weet jij daar nou van?’
‘Dat zag ik. Je wilde niet mee, toch had je het gedaan, omdat je dacht of vond dat het moest.’
Zoë schudt haar hoofd. Ze was niet meegegaan. Hij had haar niet kunnen dwingen.
Terwijl ze het denkt krijgt ze een kleur. Het is niet waar. Zijn manier van doen… de blik in Norman zijn ogen, zijn vingers rond haar pols, haar bovenarm. Ze had inderdaad het gevoel dat ze moest. Dat ze er niets in te zeggen had, dat ze geen keuze had.
‘Je hebt altijd een keuze Zoë.’
Minggus wenkt de serveerster. Bestelt een kop koffie en een biertje. Zoë kijkt hem verbaasd aan. ‘Een keuze waarin?’
‘Of je iets doet, of niet. En daarin heb je ook weer de mogelijkheid om te kiezen. Uiteindelijk ben jij degene die bepaalt. Jij geeft de ander toestemming om je op een bepaalde manier te behandelen.’
Weer wil ze haar hoofd schudden, maar ze weet dat hij gelijk heeft. Het is zoals Vleer het ook zei. Dat wil ze toch niet echt? Maar ze had het wel gewild, en ze heeft het goedgevonden ook. Zelfs toen ze het eigenlijk niet meer goed vond.
Minggus heft zijn biertje naar haar op. Zoë roert bedenkelijk in haar koffie.
Het is alsof hij het weet. De dingen die hij zegt. Het is of hij weet waar het tussen haar Norman echt om ging. Ze weet dat het niet kan. Het moet toeval zijn.

‘Ik wil dat je mij je nummer geeft.’
Het is geen vraag. Zoë herkent de toon waarop hij het zegt. Hij verwacht dat ze het doet. ‘Waarom?’
‘Omdat ik wil weten hoe het met je gaat. Omdat ik wil weten of je volgende week misschien wel weer contact met die man hebt opgenomen.’
Zoë wil zeggen dat ze niet achterlijk is. Ze wil zeggen dat het hem niets aangaat. Iets in hem maakt dat ze het niet zegt. Ze weet dat het idioot is, maar het lijkt op iets dat ze ook in Norman dacht te zien.
Ze geeft hem haar kaartje. Het adres van de winkel, het nummer van de winkel. Hij hoeft niet te weten waar ze woont.
Met een kort knikje stopt hij haar kaartje in zijn portemonnee en ineens voelt Zoë een grote behoefte om hem meer te vertellen, om hem uit te leggen wat er aan de hand was. Ook al is het maar een beetje.
‘Ik ken… Norman, ik ken hem nog niet zo lang…’
Hij knikt, geeft verder geen antwoord en drinkt zijn biertje leeg.

Ze hoeft het niet uit te leggen. Hij heeft genoeg gezien. Mannen als Norman kunnen een hoop kapot maken nog voor het begonnen is. Het is goed dat hij hier was. Hij moest hier zijn. Alles gebeurt met een reden.
Een vrouw als Zoë heeft iemand nodig die haar leidt. Iemand die haar laat ervaren dat ze op een veilige manier haar nieuwsgierigheid kan onderzoeken. Iemand die met haar meeloopt en haar geen angst aan jaagt. Iemand die haar groot kan maken in haar klein zijn.

Minggus weet dat hij dat kan zijn.

Show Buttons
Hide Buttons