Blindelings vertrouwen

Ze kijkt naar hem. Om hem heen is het schemerig. Ze weet dat het bijdraagt aan dat wat er gebeurt. Niet alleen bij hem, ook bij haar. Even verplaatst ze haar benen. De schuivende beweging verstoort de stilte. De twee andere personen in de ruimte merken het niet en Janaila haalt even diep adem door haar neus. Door haar mond blaast ze zacht weer uit. Ze wacht. Het heeft geen zin om nu iets te vragen of te zeggen. Ze mag ook niets zeggen. De blonde vrouw weet niet dat zij ook in de ruimte aanwezig is. Minggus wil niet dat ze het weet. Nog niet, heeft hij gezegd. Janaila mag alleen toekijken hoe hij de vrouw meeneemt naar een wereld waar zij nu geen deel van uitmaakt. Het is een wereld die ze kent. Ze is er vaak geweest, samen met hem. Het is een wereld waar ze graag is, maar ze vecht niet meer als hij haar terug haalt. Hij zal Zoë ook terug halen. Zoë zal vechten, net zoals ze nu aan het vechten is. En Zoë zal het hem kwalijk nemen. Janaila hoopt dat Zoë het hem kwalijk zal blijven nemen.

Het is voor het eerst dat er een andere vrouw op de plek tegenover Minggus zit en Janaila kijkt naar haar. Ze ziet haar borst snel op en neer gaan, de dunne straaltjes vocht van onder de haargrens. Het roept een behoefte op haar gerust te stellen, haar te vertellen dat het erbij hoort en dat het overgaat. Dat ze ooit in staat zal zijn zich er aan over te geven en blindelings vertrouwen zal hebben.
Janaila weet dat Minggus dat in Zoë heeft gezien, naast al het andere dat hij in haar ziet. De mogelijkheid en het verlangen zich over te geven en te ondergaan, ondergeschikt te maken aan zijn wensen en verlangens. Het is precies wat hij ooit ook in haar heeft gezien en wat hij tot volle bloei heeft weten te brengen.
Zoë is geblinddoekt, dat was ze ook toen ze hier binnen kwam, toen Minggus haar hier binnen bracht.

Hij vertelde haar over Zoë, vanaf hun allereerste ontmoeting. Ook dat hij haar in zijn leven wilde halen. In hun leven wilde halen. Janaila had hem niet gevraagd waarom, enkel argumenten aangehaald waarom ze vond dat hij het niet moest doen. Argumenten die hij allemaal had weten te weerleggen en het waarom had ze daarmee ook gekregen. Hij vindt dat ze te zeker van zichzelf wordt. Ze dreigt haar nederigheid ten overstaan van hem te verliezen en daarmee ook de rol die hij haar heeft toebedeeld. Het is van belang dat zij inziet dat niets vanzelfsprekend is en Zoë zal haar dat doen inzien. Ze vindt zijn woorden niet leuk, maar ze doet alsof ze hem begrijpt en alsof ze het met hem eens is.
Het beeld dat hij van Zoë heeft geschetst, komt in niets overeen met de werkelijkheid. Het verwart haar.

Minggus stuurde haar met een boek naar Zoë. Ze bood het haar aan en verwachtte een sterke, zelfbewuste vrouw te zien. In plaats daarvan kwam Zoë klein en kwetsbaar over, onbekend met haar eigen verlangens en het pad dat Minggus met haar af wil lopen. Absoluut niet de persoon waar Janaila iets van zou kunnen leren, eerder als de persoon waar zij zich over zou kunnen ontfermen. Het is voor het eerst dat ze vindt dat Minggus zich vergist en ze weet zeker dat Zoë haar niets meer kan leren. Ze heeft alles al geleerd en het is aan haar dat over te brengen naar Zoë. Het is ook voor het eerst dat ze haar gedachten niet met Minggus deelt, maar hij zal het begrijpen als hij erachter komt dat hij ongelijk heeft. Janaila hoeft niets meer te leren. Ze is een Meester slavin en ze is de zijne. Hij zal inzien dat Zoë van haar zal moeten leren, en niet andersom.

Janaila volgt de handen van Minggus met haar ogen. Hij controleert de blinddoek en vraagt Zoë of ze iets kan zien. Zoë schudt haar hoofd. Hij trekt het touw rond haar polsen strakker en als Zoë kreunt vraagt hij haar of het te strak zit. Weer schudt ze haar hoofd. Even legt hij met een glimlach zijn hand op haar schouder en hij drukt een kus op haar voorhoofd. Een jaloerse steek schiet door Janaila haar buik.
Voor een ander zou het een nietszeggend gebaar kunnen lijken, misschien hooguit een kleine geruststelling. Janaila weet dat het niet zo is. Het is een klein gebaar, met een grote impact en ze kan alleen maar hopen dat Zoë het niet zo ervaart.

Haar gedachten hebben gemaakt dat ze voorover is gaan zitten, alsof ze zich klaar maakt om op te springen zodra er iets gebeurt dat haar niet bevalt. Het duurt even voor ze zich realiseert dat Minggus het ook ziet. Met zijn hand op Zoë haar schouder kijkt hij haar aan en de blik in zijn ogen kwetst haar meer dan zijn woorden zouden kunnen doen. Ze gaat weer rechtop zitten, haar handen in haar schoot, haar voeten naast elkaar en slaat haar ogen neer. Op dit moment haat ze Zoë intens en ze schaamt zich voor dat gevoel. Ze hoopt dat Minggus het niet gezien heeft, tegelijk wenst ze dat het wel zo is. Alleen als hij het weet, kan hij er iets aan doen. Dan moet hij er wel iets aan doen.

Minggus richt zijn aandacht weer op Zoë. Hij weet dat Janaila met zichzelf in gevecht is en hij is er blij om. Hij wil dat ze met zichzelf in gevecht is. Het zal haar doen inzien dat niets in zijn relatie met haar vanzelfsprekend is en dat hij verwachtingen van haar heeft. Verwachtingen die hij altijd van haar heeft gehad en die hij altijd van haar zal hebben. Zodra Zoë begrijpt waar haar pad naar toe leidt, zal hij dezelfde verwachtingen van haar hebben.

Zoë is zich niet bewust van de andere vrouw in de ruimte. Ze is zich enkel bewust van Minggus en dat wat hij haar laat voelen. Haar gedachten vallen door en over elkaar en brengen haar in verwarring. Ze maken haar zelfs bang.
Het is toch waar. Ze is niet normaal. Weer heeft ze zichzelf in een positie gebracht waarin ze vreselijk kwetsbaar is. Een gevaarlijke positie zelfs. Ze weet niet waar ze is en ze kan de man die zich in dezelfde ruimte bevindt niet zien. Haar handen zijn vastgebonden op haar rug.

Wie is die man dan?

Ze hoort het Vleer gewoon zeggen. Een vreemde man. Drie ontmoetingen zijn bij lange na niet genoeg om iemand te kennen. Zeker niet om je geblinddoekt mee te laten nemen en je vast te laten binden. Wie weet welke gedachten zich allemaal in zijn hoofd ontvouwen. Welke spelletjes hij met haar wil spelen. En zij kan niets. Alleen maar schreeuwen en wie zegt dat iemand haar zal kunnen horen. Ze weet niet waar ze is.
Zoë merkt dat ze zweet, het is vochtig onder haar haren en haar rug is klam. Ze slikt en ademt snel. Nee, ze heeft zich bedacht. Ze wil dit niet.
Op het moment dat ze haar mond open wil doen, voelt ze zijn handen en hoort ze zijn stem.
‘Kun je iets zien?’
Zoë schudt haar hoofd en ze kreunt zacht als hij het touw rond haar polsen strakker trekt.
‘Te strak?’
Weer schudt ze haar hoofd. Niet te strak, het gevoel is zelfs prettig. Ze zou het niet prettig moeten vinden.
Hij legt zijn hand op haar schouder en drukt zacht een zoen op haar voorhoofd. Later zal ze zeggen dat op dat moment haar angst verdween. Die ene zoen. Een simpel gebaar, maar zonder de uitdrukking op zijn gezicht te kunnen zien, was dat het moment dat ze wist dat ze bij hem compleet veilig en zichzelf zou kunnen zijn.

Show Buttons
Hide Buttons