Wat hij wil

Zoë hoort de deur met een zachte bons achter zich dicht vallen, dan is er even niets meer en voor een kort moment denkt ze dat ze alleen is. Haar handen schieten naar haar gezicht om de blinddoek van haar ogen te schuiven. Ze schrikt als haar polsen zacht worden vastgepakt.
‘Kom.’
Zijn stem is kalm en rustig, heel anders dan het ritme van haar hartslag. Dat gaat snel, een beetje onregelmatig zelfs. Hij heeft makkelijk praten. Alleen al het feit dat ze niets kan zien en geen flauw idee heeft waar ze is, maakt dat ze zich onmogelijk kan ontspannen.
‘Waar zijn we, wat gaan we doen?’
Ze hoort zelf hoe klein en benepen haar stem klinkt, alsof ze bang is. Ze is niet bang en hij heeft het beloofd. Niets engs.
Toch is het enger dan ze zich voor kon stellen.
‘Rustig. Als je luistert naar wat ik zeg, zal je niets gebeuren.’
Het kon een dreigement zijn. Zoë wist dat het niet zo was.
Er gaat een tweede deur open en ze volgt Minggus, zonder te zien waarheen. Een koele wind waait langs haar benen en ze hoort weer een bons en de stem van Minggus.
‘Een trap nu, naar beneden, zeven treden.’
Ze schuift haar voeten over de grond, voelt waar de grond ophoudt en neemt de eerste stap, de eerste tree. Minggus blijft haar handen vasthouden en in haar hoofd telt ze de treden. Ze blijft tellen als ze beneden aan de trap staat en Minggus haar nog een paar stappen vooruit leidt. Nog vijf tot hij haar stilhoudt.
‘Blijven staan.’
Zoë hoort dat hij van haar wegloopt. De geluiden doen haar raden naar wat hij aan het doen is. Ze kan er niets uit opmaken. Er klinkt geritsel en geschuifel, één keer schraapt hij zijn keel. In haar hoofd tekent ze de ruimte waar ze zich bevindt. Ergens beneden in een huis, misschien zelfs onder de grond. Een kelder? Er liggen tegels. Ze kon het horen aan het geluid van haar hakken. Maar er ligt ook een kleed. Een dik kleed. Na drie stappen was ze daarin weggezakt. Ergens moet een raam open staan, ze ruikt de buitenlucht. Geen kelder dus. Kelders hebben geen ramen.
Ze probeert in te schatten hoe groot de ruimte is aan de hand van de bewegingen die Minggus om haar heen maakt. De geluiden zijn nooit heel ver weg, misschien net een paar stappen. het is geen grote ruimte. Een trap met zeven treden, ook geen hoge ruimte. Toch een kelder dan, met ventilatieroosters.
Minggus komt weer dichterbij, Zoë voelt iets zachts tegen haar voeten vallen. hij pakt haar handen vast.
‘Wil je op je knieën gaan zitten?’
Zoë vraagt niets en gaat voorzichtig op haar knieën zitten. Ze steunt aan de handen van Minggus. Het kussen is dik en als Minggus haar handen loslaat, tasten haar handen over de vloer. Inderdaad een kleed, misschien een tapijt.
‘Handen op je rug Zoë.’
De opgewonden kriebel die ze voelt maakt dat ze ook nu niets vraagt, maar haar handen achter haar rug houdt. Minggus is achter haar gaan staan en ze voelt zijn vingers rond haar polsen. Ze voelt hoe hij ze tegen elkaar bindt en het zachte materiaal een aantal keer om haar polsen draait, kruist en uiteindelijk aan elkaar knoopt. Ze probeert haar polsen van elkaar te trekken. Het lukt niet.
Met haar oren en haar huid volgt ze hem. Het wordt warm als hij dichtbij haar is, koeler als hij een stap van haar weg doet. Hij staat voor haar en trekt aan de blinddoek. Ze krijgt het warm als ze zich plotseling bedenkt in wat voor een positie ze zich bevindt. Weer heeft ze zich mee laten slepen. Weer heeft de nieuwsgierigheid het gewonnen van haar verstand.
Zoë voelt dat ze zweet, klam en vochtig. Haar rug, haar handen en net onder haar haargrens. Ze wil haar mond open doen. Ze heeft zich bedacht. Ze wil dit niet. Toch niet.

‘Kun je iets zien?’
Ze schudt haar hoofd. Hij staat weer achter haar en trekt aan het materiaal rond haar polsen. Zoë kan een kreun niet onderdrukken.
‘Te strak?’
Weer schudt ze haar hoofd. De druk rond haar polsen is prettig en niet eng. Ze haalt even diep adem. Niets engs, alleen spannend. Dat is wat het is. Alleen maar spannend. Haar hart blijft snel kloppen.
Hij legt zijn hand op haar schouder en geeft haar een zoen op haar voorhoofd.
Zoë zucht en leunt tegen hem aan tot hij haar weer loslaat. Hij trekt haar naar achteren zodat haar vingers haar enkels raken en ze voelt hoe haar borsten naar voren duwen. Haar buik- en bilspieren spannen zich. Ze laat zich zakken en wil op haar hakken gaan zitten zodat de spanning verdwijnt.
‘Nee, blijven zitten, omhoog.’
Ze duwt zichzelf weer terug en hij bindt haar polsen aan haar enkels, strak. Als ze op haar handen probeert te steunen corrigeert hij haar weer.
‘Blijven zitten, je mag je knieën uit elkaar schuiven, maar verder blijf je zo zitten.’
De spieren in haar bovenbenen en billen trillen in de ongemakkelijke houding.
‘Hoe lang?’
‘Zo lang als ik wil.’
‘Dat gaat niet.’
‘Het gaat zo lang ik het wil.’
Ineens is zijn hand in haar haren en trekt hij haar nog verder naar achteren, zijn andere hand legt hij warm tegen haar keel. Op slag is Zoë de ongemakkelijke spanning in haar spieren vergeten. In plaats daarvan golft er een hele andere spanning door haar lijf.
Zijn mond is dicht bij haar oor, zacht.
‘Het gaat zo lang ik het wil, hoe ik het wil en wanneer ik het wil. Wil je dat?’
Ze knikt en houdt haar adem in als hij langzame bewegingen langs haar hals en schouders maakt, weer terug. Ze wacht tot zijn vingers hun greep verstevigen. Dat gebeurt niet. Hij blijft strelen terwijl haar ademhaling dan weer stil valt, dan weer snel gaat. Het zit hoog in haar borst. Zoë merkt dat ze wil dat hij zijn handen om haar nek legt en dat hij haar keel dichtknijpt. Heel even maar, alleen maar om dat gevoel te krijgen.
‘Doe je mond open.’
Nog voor ze haar lippen van elkaar doet, duwt hij een vinger in haar mond, tot achter in haar keel. Ze trekt haar hoofd weg, hij houdt haar tegen en duwt een tweede vinger achter in haar keel. Ze kokhalst, hoest en probeert weer bij zijn hand weg te komen. Met zijn hand achter in haar nek houdt hij haar stevig vast.
‘Zo lang ik het wil, weet je nog?’
Zoë schudt haar hoofd, bijna driftig. Niet alleen zolang hij het wil. Ze moet het zelf ook willen. Weer kokhalst ze en ze probeert diep adem te halen. Hij blijft haar vasthouden, met twee vingers in haar keel tot ze haar pogingen los te komen staakt.
‘Precies, dit ga je leren en je gaat het lang volhouden. Zonder dat je tegenstribbelt. Omdat ik dat wil.’
Abrupt laat hij haar los. Dat ze haar evenwicht niet verliest, komt omdat hij haar vol bij haar borsten pakt en door de stof van haar jurk en beha in haar tepels knijpt.
‘Ik hou niet van al die lagen kleding. De volgende keer heb je geen beha aan.’
Zijn hand verschijnt tussen haar gespreide benen. ‘ Geen slip ook.’
Met één hand tussen haar benen en de ander op haar linkerborst blijft hij bij haar zitten. Hij zegt niets meer en beweegt niet. Zoë merkt dat ze weer ongeduldig wordt. Ze wil dat hij iets doet. Ze wil nog meer dat hij iets zegt. Het maakt haar niet uit wat, zo lang ze zijn stem maar kan horen. Zo lang hij haar maar laat weten dat hij haar ziet. Ze wil dat hij haar ziet.
Ze verliest al het gevoel van tijd en haar voeten beginnen te slapen, de spieren in haar benen te protesteren. Ze daagt hem uit te bewegen en zijn handen te verplaatsen. Hij reageert niet. Zijn handen blijven waar ze liggen. zijn ademhaling is rustig en regelmatig, zijn woorden stil. Zoë zakt weg in de stilte.

Als hij haar eindelijk loslaat, verliest ze toch haar evenwicht. Ze valt zijwaarts en blijft onhandig liggen, haar polsen aan haar enkels, niet in staat weer overeind te komen. Hij laat haar liggen. Vijf minuten, een half uur, een uur? Geen geluiden meer, geen voetstappen, alleen haar ademhaling. Ze verlangt naar een teken dat hij er nog is. De gedachte dat ze daar misschien alleen is en dat hij geruisloos de trap op is gegaan, maakt dat de tranen in haar ogen branden.
Zijn stem komt toch nog onverwacht en is dichtbij.
‘Ik zal je losmaken.’
Zoë schudt haar hoofd en ze hoort hem zacht lachen.
‘Ik zal je losmaken en dan gaan we weer naar boven. De blinddoek blijft nog om.’

Omdat hij het wil. Vast en ook weer los.
Niet omdat zij het wil.
Omdat hij het wil.

Show Buttons
Hide Buttons