Het kind in haar

Janaila wist het zeker. Ergens midden in de nacht zou hij haar wakker maken en bij zich in bed nemen. Hij kwam niet en ze probeert het zich gemakkelijk te maken op het kussen. Koud had ze het niet. Er lag een deken binnen handbereik. Hij zorgt goed voor haar, zoals zij ook voor hem zorgt. Ze was vastbesloten niet in slaap te vallen, het gebeurde toch en ze sliep onrustig omdat ze niet naast hem lag. Nu werd ze wakker van zachte rukjes aan haar ketting. Zodra haar ogen open zijn, trekt hij haar op haar knieën. Ze ruikt zijn scheerbalsem en de wax die hij elke ochtend door zijn haar verdeelt. Die zij elke ochtend door zijn haar verdeelt. Het kwetst haar dat hij haar niet heeft gewekt om hem te helpen met scheren. Het is lang geleden dat hij zich zelf heeft geschoren. Ze wil hem vragen waarom niet, maar hij pakt haar bij haar haren en maakt zijn broek los.
‘Mond open.’
Het komt niet in haar op het niet te doen. Ze doet haar lippen van elkaar en neemt hem in haar mond. Hij heeft geen erectie en ze zuigt om hem harder en stijver te maken, zoals ze weet dat hij prettig vind. Hij geeft haar een tik op haar achterhoofd.
‘Volgen.’
Ze volgt, laat hem haar hoofd sturen en voelt hem groeien in haar mond. Hij stoot dieper in haar keel. Met één hand houdt hij haar vast bij haar haren en hij geeft het tempo aan. Zijn andere hand legt bij haar keel. Ze ademt door haar neus, precies zoals hij haar lang geleden geleerd heeft. Ze herinnert zich hoe trots hij op haar was toen ze het precies deed zoals hij wilde. Ze herinnert zich hoe trots ze zelf was. Ze wil zich weer trots voelen, ook om iets dat ze al duizenden keren heeft gedaan. Ze wil dat hij trots op haar is. Ze wil dat hij altijd trots op haar is. Ze wacht tot het lichte gevoel in haar hoofd haar overspoeld. Ze wacht tot hij haar het teken geeft waarmee ze het mag overnemen en hem helemaal mag ontvangen. Ze weet zeker dat hij haar vandaag toestemming geeft om hem helemaal te ontvangen. Het zal alles van gisterenavond goedmaken. Dat hij vannacht niet naar haar toe is gekomen om haar te halen, ook.

Net zo plotseling als hij haar wakker maakte, laat hij haar weer los en hij doet zijn broek dicht. Hij haalt de sleutel van het hangslotje uit zijn broekzak en maakt haar los.
‘Je moet opschieten, het is al laat. Ik heb al ontbeten.’
Hij legt zijn vinger onder haar kin en tilt haar hoofd op zodat ze hem aankijkt.
‘Ik ben laat vanavond, maar ik wil dat je op me wacht. Hier, in positie.’
Janaila weet wat hij vanavond gaat doen en het zint haar niets.
‘Neemt u haar niet mee hier naar toe?’
‘Vanavond niet. Zorg dat je wat lichts eet en breng mijn bruine pak naar de stomerij. Ik heb volgende week een hoorzitting.’
‘Hoe laat bent u thuis?’
‘Dat merk je wel, ik moet gaan. Tot vanavond.’
Hij is al weg. Zonder zoen en zonder de tedere streling langs haar gezicht. Hij straft haar nog steeds. Voor gisteren en ook voor vannacht. Omdat hij haar moest straffen, omdat ze hem niet kon helpen met zijn rituelen. Ze weet het zeker. Ze weet ook zeker dat hij haar lang zal laten wachten vanavond en dat hij thuiskomt met alles wat Zoë in zijn hoofd en lichaam heeft gepland. Misschien geeft hij Zoë wel toestemming om hem te ontvangen. Het gevoel dat zich in haar buik verspreidt, vindt ze niet prettig. Hij is haar Meester. Niet die van Zoë, alleen van haar. Zij is zijn slavin. Zoë is helemaal niets.

Zoë zegt net Valerie gedag als Minggus binnen komt. Haar aanwezigheid was een welkome afleiding en joeg en duwde het onrustige gevoel naar de achtergrond. Vannacht heeft ze gedroomd van Minggus en ze in die droom had ze hem veel verder laten gaan dan in werkelijkheid. Valerie merkt niets van haar onrust.
‘Morgen kom ik je weer helpen, als ik mijn rondje gelopen heb. Volgens mij heb je nog een klant. Ik ben weg!’
Ze geeft Zoë een snelle zoen op haar wang en schiet langs Minggus heen naar buiten. Meteen is Zoë zenuwachtig. Hij blijft staan en kijkt rustig om zich heen.
‘Wie was dat?’
‘Valerie, mijn vriendin.’
Hij knikt en gaat met zijn handen langs de kleurige shirts die in een rek hangen.
‘Ben je klaar?’
‘Bijna, nog even afsluiten en opfrissen.’
‘Ik wacht buiten.’
De deur valt achter hem dicht en Zoë vraagt zich af of hij haar zenuwen heeft gezien en of hij haar bewust even de tijd geeft om tot zichzelf te komen.

In het keukentje borstelt ze haar haren en dept ze wat parfum achter haar oren. Ze twijfelt, geen slipje en geen beha heeft hij gezegd. Ze vindt het niet prettig om zonder beha te lopen en zonder slipje? Daar heeft ze zelfs nog nooit over nagedacht, laat staan dat ze het heeft uitgeprobeerd. Sliploos hoort bij slapen. Niet bij rondlopen in een vrouwelijk jurkje. Ze werpt nog een blik op de gebarsten spiegel boven de gootsteen. Ze is tevreden en het moet maar. Met beha en met een slip. Als hij daar niet over te spreken is dan heeft hij pech. Hij komt er toch niet achter. Ze piekert er niet over om vanavond uit de kleren te gaan. Hij wacht op haar bij zijn auto, pakt haar bij haar elleboog en opent het portier voor haar.
‘Kom, we gaan een hapje eten.’
‘En dan?’
Minggus lacht zacht. ‘Ik heb de avond niet uitgestippeld. We gaan nu eten.’
Zoë stapt in, maakt haar gordel vast en leunt wat gespannen achterover. Gewoon eten. Eten is lekker en gezellig, maar ze wil niet alleen eten. Ze wil meer van gisterenavond, meer van die spanning. Ondanks haar verwardheid naderhand voelt het toch prettig, al kan ze niet goed benoemen waarom dat zo is.
‘Gaan we weer naar jouw huis vanavond?’
‘Nee, we gaan niet naar mijn huis vanavond. We gaan eten.’

Weer lacht hij. Ze is ongeduldig en ze wil meer. Meer voelen en meer ervaren. Hij heeft geen haast. Er is nog genoeg te bedenken, maar hij wil eerst dat ze zich veilig voelt en dat ze weet wat haar onderdanigheid voor haar en voor hem kan betekenen. Het kost tijd voor ze zich daar bewust van zal zijn.
Als hij moet wachten voor een stoplicht kijkt hij haar aan.
‘Doe je benen uit elkaar.’
Zoë schrikt. In reactie duwt ze haar bovenbenen stevig tegen elkaar en de kriebel in haar buik weg.
‘Waarom?’
‘Omdat ik dat wil of ben je de woorden al vergeten?’
Ze schudt haar hoofd. Ze is ze niet vergeten. Ze spoken constant door haar hoofd en maken dat haar ademhaling onregelmatig wordt. Hoe zou ze die woorden kunnen vergeten.
‘Dan zeg ik het nog een keer. Doe je benen uit elkaar.’
Onwillig schuif Zoë haar voeten een klein stukje uit elkaar. Ze krijgt het warm en kijkt van hem weg, naar buiten. De vrouw in de wachtende auto naast haar glimlacht vriendelijk en Zoë krijgt een kleur als Minggus haar gebiedt haar benen verder uit elkaar te doen. Ze protesteert.
‘Mensen kunnen het zien.’
‘Mensen zijn veel te druk met hun eigen dingen, die zien niets. Verder uit elkaar.’
Als ze haar bovenbenen verder uit elkaar duwt legt hij zijn hand ertussen. ‘Waarom heb je een slipje aan?’
Zoë haalt haar schouders op.
‘Gewoon …’
‘Een normaal antwoord graag, je bent geen klein kind!’
Zijn stem is laag en donker. Dat hij hem verheft doet iets in haar buik, in haar borst en in haar hoofd. Ze voelt zich wel degelijk een klein kind nu.
‘Ik wil niet zonder slipje.’
Hij legt allebei zijn handen weer op het stuur, knikt en geeft gas als het licht op groen springt.
‘Je bent de woorden dus wel vergeten.’
Zoë schudt haar hoofd.
‘Herhaal ze.’
Ze slaat haar armen over elkaar, kijkt nukkig naar buiten en geeft hem geen antwoord. Even denkt ze dat ze hem hoort lachen, maar ze durft hem niet aan te kijken.
‘Dat heeft bij mij geen effect. Als je de woorden nog weet dan wil ik dat je ze herhaalt.’
Ze fluistert zachtjes de woorden die zich in haar hoofd genesteld hebben.
‘Hardop, terwijl je me aankijkt.’
Ze zucht, herhaalt de woorden en kijkt naar haar handen.
‘Kijk me aan! Nog een keer.’
‘Je moet op de weg letten.’
‘Nog een keer.’
Ze kijkt hem boos aan en herhaalt de woorden voor de derde keer.
‘Hoe jij het wilt, wanneer jij het wilt en zo lang je het wilt,’
‘Precies, wat ik wil. Je weet het dus nog wel.’ Hij glimlacht. ‘Je gaat het wel leren.’
Met haar armen over elkaar kijkt ze naar buiten. Ze hoeft het niet te leren. Ze is verdorie geen kleuter.

Show Buttons
Hide Buttons