Kajira Saya

Het huis is donker en stil toen hij thuiskwam. Hij vindt het prettig om op die manier thuis te komen. Janaila weet dat. Het geeft hem de even de gelegenheid om de dag van zich af te schudden. Zijn werk, de zorgen om zijn moeder en zijn familie en nu ook de gedachten aan Zoë. Hij wil haar de zijne maken. Niet zoals hij Janaila de zijne heeft gemaakt. Dat kan hij niet. Janaila is van hem, hij is van haar. Wat Zoë in hem losmaakt, voelt bezitterig. Hij weet dat het komt door wat hij die eerste keer had gezien. Een bijna natuurlijke onderdanigheid naar die man. Hij moest haar wel tegen hem beschermen. Zo heeft hij het ook aan Janaila uitgelegd. Ze vond het vervelend toen hij haar over Zoë vertelde. Maar het moest, hij kon niet anders.

‘Stel dat je mij niet was tegengekomen, dat je niet had geweten wat je moest doen met het vreemde verlangen dat je zo vast kon houden en dat je niet had geweten waar je naar toe moest.’
‘Maar u heeft dat verlangen in mij losgemaakt.’
Ze zat aan zijn voeten en keek met grote, vochtige ogen naar hem op. Ze huilde.
‘Precies, ik heb dat verlangen losgemaakt, maar het zat er al. Je had iemand anders tegen kunnen komen. Dat is bij Zoë ook gebeurd. Zoë is iemand tegengekomen die haar de verkeerde kant van haar verlangen heeft laten zien. Dat verlangen is niet van haar, maar woekert onder zijn handen en perverse fantasieën. Het had jou ook kunnen gebeuren.’
Janaila stak haar kin naar voren en keek hem met een pruillip aan.
‘Mij niet. Ik ben sterker dan Zoë.’
Met de toppen van zijn vingers gaf hij haar een felle tik tegen haar schouders.
‘Niet zo kijken! Je weet dat ik daar niet gevoelig voor ben en ook niet voor je tranen.’
Hij zag dat ze weer wilde gaan huilen en even legde hij zijn hand achter in haar nek.
‘Zoë raakt niet aan jou en mij en ik weet dat je het nu niet kan geloven, maar uiteindelijk zal dat wat jij en ik hebben sterker worden. Jij zal sterker worden.’
‘Ik wil het niet.
‘Sinds wanneer is dat wat jij wilt van belang?’
Ze had haar ogen neergeslagen. ‘Het spijt me Meester.’
‘Jij denkt dat je sterk bent, sterker dan Zoë, maar het feit dat ze mij niet wegstuurde op het moment dat ik me aan haar opdrong, want dat is wat ik deed, maakt dat ze sterker is dan jij denkt. Sterker dan ze zelf denkt dat ze is.’
Janaila dacht dat hij het zachte gegrom dat uit haar keel kwam niet hoorde en hij dwong haar op te staan en zette haar met haar gezicht tegen de muur.
‘Op dit moment ben jij ontzettend zwak Janaila! Je blijft staan tot ik je laat weten dat je naar je kamer mag. Morgen breng jij het boek naar Zoë en je zal haar vriendelijk te woord staan, is dat duidelijk!’
Janaila knikte stil.
‘Geef antwoord!’
‘Ja Meester.’
Hij ging aan zijn bureau zitten en pakte het rapport voor de volgende zitting.
‘Meester?’
‘Ja Janaila.’
‘Mag ik niet bij u slapen vannacht?’
‘Ik slaap vannacht alleen en nu stil.’

Hij weet dat er nog veel van dergelijke momenten zullen komen, maar hij weet ook dat hij gelijk heeft. Wat hij met haar heeft zal alleen maar sterker worden, zij zal sterker worden, maar net als Zoë hebben ze nog een lange weg te gaan.

Dat ze niet bij hem mocht slapen was een grote straf. Ze vond het vreselijk. Dat hij haar bij haar geboortenaam noemde, vond ze nog veel erger. Sinds hij haar gecollared heeft, gebruikt hij die naam alleen maar als hij vindt dat ze haar collar niet verdiend heeft. Sinds hij Zoë heeft ontmoet is beide al vaker gebeurd.
Omdat ze brutaal tegen hem was, omdat ze een opdracht weigerde uit te voeren of niet naar zijn tevredenheid, of omdat ze tegen hem in ging. Elke keer nam Janaila zichzelf voor dat het niet weer zou gebeuren. Ze wil dat hij trots op haar is en de aanwezigheid van Zoë mag daar niets aan veranderen. Ze vergeet het steeds weer.

Nu herhaalde ze het zachtjes voor zich uit, als een mantra.
‘Meester zal trots op mij zijn … Meester zal trots op mij zijn …’
Vannacht zal ze niet alleen slapen en niet onrustig wakker worden in haar eenpersoonsbed of, zoals vannacht, op een kussen, geketend aan de muur. Vannacht zal ze bij haar Meester slapen.
Janaila wil weten hoe zijn avond met Zoë was en of hij bij haar thuis is geweest, maar ook dat mag ze hem niet vragen. Niet vanavond.
Het zal haar moeite kosten, maar ze is vastbesloten.

Ze hoort hem binnen komen en gooit de warme doek van haar schouders. In positie betekent naakt, met enkel haar collar. Dat ze het koud krijgt is enkel een excuus zolang hij er niet is. In positie betekent ook klaar om hem te ontvangen, klaar om welke opdracht dan ook uit te voeren. Zonder vragen, zonder twijfels. Hoe hij wil, wanneer hij wil en op wat voor een manier hij het wil. Janaila zit dus in positie, de allereerste positie die hij haar geleerd heeft. Geknield, met gespreide benen en haar billen op haar voeten. Haar handen liggen met de palmen naar boven op haar bovenbenen, haar schouders naar achteren. Haar training heeft ervoor gezorgd dat ze de positie lang vol kan houden, net zoals nu.
Haar oren zijn gespitst naar elk geluid en haar ogen gericht op de dichte deur. Ze zal het eerste zijn wat hij ziet als hij de kamer binnenkomt, precies zoals hij wil.
Ze weet wat hij aan het doen is en volgt de geluiden die hij maakt. Ze hoort zijn voetstappen haar richting op komen.
De klink van de deur beweegt en ze slaat haar ogen neer. Als ze in positie zit, kijkt ze hem pas aan als hij haar toestemming geeft hem aan te kijken. Eerder niet.

Hij komt naar haar toe lopen en blijft voor haar staan. Ze ziet het werkje in het glanzende leer van zijn schoenen. Ze wacht op een teken. Zijn hand op haar hoofd of desnoods het geluid dat aangeeft dat hij zijn broek losmaakt. Ze laat haar teleurstelling niet merken als hij zich van haar af draait en aan de andere kant van de kamer in zijn stoel gaat zitten.
Ze hoort de dop van de kristallen karaf gaan en het klokken van de wijn in het glas. Ze hoort hoe hij het glas aan zijn lippen zet, de wijn in zijn mond neemt, door zijn mond laat rollen en doorslikt. Ze weet dat hij naar haar kijkt. Ze voelt het. Haar huid tintelt. Hij laat haar zitten, kijkt en drinkt zijn wijn.
Pas als hij het glas met een zachte bons op het tafeltje naast de stoel zet, spreekt hij haar aan.
‘Kom bij me Saya.’
Van binnen groeit Janaila en ze zet haar handen op de grond, tilt haar billen van haar voeten en richt haar blik half omhoog op zijn knieen.
Langzaam kruipt ze naar hem toe, gracieus, zoals ze weet dat hij graag ziet. Tussen zijn knieën gaat ze weer in positie zitten.
‘Je mag me aankijken Saya.’
Ze kijkt hem aan en ziet zijn blik, de zweem van een glimlach, maar het zijn vooral zijn ogen die ze ziet. Daarin leest ze dat hij trots op haar is en ze groeit nog iets meer.
Hij haakt zijn vinger door het oog van haar collar en trekt haar naar zich toe, zoent haar zacht.
‘Heel goed Kajira Saya.’

Janaila weet dat ze vannacht weer naast haar Meester slaapt.

Show Buttons
Hide Buttons