De maan en terug

Ze heeft het koud en zet de verwarming aan. Het lampje van haar telefoon knippert. Ze had hem thuis gelaten om op te laden. Ze zal Valerie een berichtje sturen en vragen of het echt wel goed gaat.
Drie gemiste oproepen van Minggus. Hij heeft niets ingesproken en ook geen bericht gestuurd. Ze kijkt op de klok. Het is vast niet te laat om terug te bellen.

Hij neemt bijna meteen op.
‘Waar ben je?’
‘Thuis.’
‘Waar was je?’
‘Naar een feestje, met Valerie, mijn telefoon lag thuis.’
‘Waarom weet ik dat niet.’
‘Ik wist niet dat je dat wilde weten, je had ook in kunnen spreken.’
‘Ik spreek niet in. Ik kom je halen, zorg dat je klaar staat.’
‘Ik ben moe.’
‘Tot zo.’
Hij heeft opgehangen. Geen reactie op haar opmerking, geen verdere uitleg. Hij komt haar halen. Punt uit. Ze wil niet meer weg. Ze wil naar bed met een kop thee en een boek. Verder niets.
Ze kleedt zich toch om. Beha uit, slip uit, een schone jeans met haar zwarte truitje en laarzen. In de keuken drinkt ze een glas water.
Ze denkt weer aan Valerie en hoe anders ze geweest was vanavond. Ze heeft haar nog geen berichtje gestuurd.

De bel gaat als ze haar telefoon pakt, Valerie zal nog even moeten wachten.
Minggus staat voor de deur, hij bekijkt haar. ‘Ik had toch gezegd dat je klaar moest staan?’
‘Ik ben klaar, alleen Valerie nog even een berichtje sturen.’
‘Zo neem ik je niet mee. Heb je ondergoed aan?’
‘Nee.’
‘Trek een jurk aan. Ik wil je niet in een broek.’
‘Het is koud.’
‘Dan verzin je daar maar een oplossing voor en nee, geen panty. Schiet op, ik wacht in de auto.’
Zoë rent naar boven, gooit haar kleren op het bed en schiet in haar beige jurk met lange mouwen. Haar blote voeten gaan in haar leren laarzen. Ondertussen verklaart ze zichzelf voor gek.
Hij wil haar niet in een broek, hij wil geen ondergoed. Hij belt dat hij haar komt halen en verwacht dat ze instemt. Dat ze moe is en het koud heeft, het is niet belangrijk. Hij heeft iets in zijn hoofd, en zij moet mee.
Wat ze in haar hoofd en buik voelt komt totaal niet overeen met haar gedachten. Haar hoofd gaat maar wat graag met hem mee en in haar buik groeit de spannende verwachting over wat hij nog meer van haar zal vragen.

Met haar jas en tas in haar hand rent ze naar de auto, hij doet het portier voor haar open en wacht tot ze zit.
‘Ik wil niet dat je rent. Het is niet vrouwelijk.’
‘Maar je zat te wachten.’
‘De volgende keer ben dus op tijd zodat je meteen mee kunt. Ik hou niet van wachten.’
‘Maar jij …’
Zoë houdt haar mond. Hij zal toch wel een weerwoord hebben en het zal er één zijn waar ze niets tegenin kan brengen. Minggus start de auto en rijdt langzaam weg.
‘Die kleur staat je niet, het maakt je bleek.’
‘Zal ik een andere aan doen?’
‘Niet zo brutaal, de volgende keer doe je een andere aan. Iets met meer kleur.’
‘Geen zwart?’
‘Je draagt alleen zwart als ik dat vraag, bij speciale gelegenheden.’
‘Nog meer naar je wens.’
‘Ik zal een notitie maken.’
‘Waarvan?’
‘Je brutale antwoorden, je hebt er al twee, in nog geen minuut.’
‘Waarom?’
‘Dat moet je aan jezelf vragen.’
‘Waarom een notitie?’
‘Zodat ik het bij kan houden.’
‘Waarom?’
‘Zodat ik een passende straf kan bedenken.’
‘Waarom wil je mij straffen?’
‘Omdat je brutaal bent. Omdat je misschien niet doet wat ik zeg. Omdat je bent vergeten mij iets te vertellen. Het kan zo veel zijn.’
‘Hoe ga me me straffen dan?’
‘Dat zal ik nog bedenken.’
‘Waarom niet nu?’
‘Omdat het nog te vroeg is.’
Zoë kijkt hem van opzij aan. Zijn ogen zijn op de weg gericht en uit niets kan ze opmaken dat hij haar in de maling neemt en dat hij niet serieus is over wat hij zegt.
‘Wat als ik niet wil dat je me straft?’
‘Dan breng ik je nu naar huis. Misschien wil je dit dan toch minder graag dan ik dacht.’
Hij kijkt haar aan. ‘Wil je dat ik je naar huis breng?’
Zoë schudt haar hoofd. Ze wil weten wat hij verstaat onder het woord straf. Zoals hij het nu zegt klinkt het als een standje dat hij haar kan geven, zoals hij kan zeggen dat hij niet wil dat ze rent of haar schouders ophaalt. Alleen dan iets strenger. Ze kan zich niet voorstellen dat hij dat bedoelt. Het boek wat hij haar ooit gegeven heeft beschrijft hele andere straffen. Lijfstraffen, soms zelfs bizarre straffen.
‘Ga je me pijn doen?’
‘Vanavond? Nee, dat denk ik niet.’
‘Maar andere momenten wel?’
‘Als ik dat nodig vind en als ik vind dat jij dat nodig hebt. Ja, dan wel.’
‘Moeten we daar geen afspraken over maken?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon…’
Minggus kijkt haar strak aan.
‘... ik bedoel, afspraken, wat wel en wat niet, een stopwoord. Dat soort dingen.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Daar doe ik niet aan en die hebben we ook niet nodig. Ik kijk naar jou en hoe je reageert. Dat is voldoende. Jij vertelt me hoe ver ik kan gaan.’
‘Hoe ver zou je kunnen gaan?’
‘Ik kan heel ver gaan, in mijn hoofd is veel mogelijk, maar alleen als jij dat ook kan.’
‘Hoe ver is dat dan?’
Hij lacht zacht. ‘Naar de maan, en terug.’
Zoë doet haar armen over elkaar. ‘En zo weet ik nog niks.’
Minggus haalt haar armen los.
‘Niet je armen over elkaar doen. Je wilt te snel en je moet leren de dingen te nemen zoals ze komen. In mijn hoofd kan alles, misschien zelfs nog wel meer, maar je kan van me aannemen dat er niets gebeurt dat jij niet wilt en dat ik niets zal overhaasten. We gaan stapvoets, zodat je tijd krijgt om de ervaring op je in te laten werken.’

Hij remt af, parkeert de auto achteruit in een parkeervak. ‘Kom, we drinken wat en dan laat ik je het huis zien.’

Zoë vraagt niet meer ook al heeft ze nog zoveel meer te vragen. Ze gelooft hem dat er niets zal gebeuren wat zij niet wil, maar hoe weet ze zo zeker dat ze iets wil of niet als ze het nog nooit heeft ervaren. Hoe kan hij weten wanneer hij moet stoppen al hij toch te ver gaat of misschien alleen te snel. Ze wil niet dat hij haar straft. Ze willen alleen maar voelen. Meer van alle beelden die hij in haar hoofd plant en de gespannen verwachting die zich in haar buik heeft genesteld.

In de lichte keuken schenkt hij twee glazen wijn in. Hij kijkt haar aan.
‘Een van de eerste regels die je zult moeten leren is dat ik wil dat je mijn wijn proeft voordat ik hem drink. Wanneer ik voor jou een glas wijn inschenk dan wacht je tot ik van mijn glas heb gedronken. Als ik geen glas wijn voor je inschenk dan drink je water of thee.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik dat wil. Ook dat is één van de eerste regels. Je zult niet meer vragen waarom. Als ik iets doe of zeg, dan doe ik dat omdat ik dat wil. Dat moet voor jou genoeg zijn. Het waarom zal je snel genoeg duidelijk worden.’
Zoë knikt. Ze denkt dat ze het begrijpt. Wat hij wil, hoe hij het wil en wanneer hij het wil.
‘Hoe bedenk je al die regels?’
‘Die bedenk ik niet, die zijn er.’
‘Dus je wilt nu dat ik een slok van je wijn neem?’
‘Ik wil dat je hem proeft en ook dat gebeurt op de manier die ik wil. Kom hier.’
Ze staat voor hem, kijkt hem aan en ziet hoe hij drie vingers in zijn wijn doopt.
‘Mond open.’
Hij duwt zijn vingers in haar mond, tot achterin haar keel, zoals hij al eerder heeft gedaan. Toen was er geen wijn.
‘Proef de wijn.’
Ze sluit haar mond om zijn vingers en gaat met haar tong langs zijn huid. Ze voelt de groeven, proeft het bittere zoet van de wijn en het zout van zijn vingers.
Minggus haalt zijn vingers uit haar mond en knikt.
‘Het kan ook anders, blijf staan.’
Hij neemt een slok en legt zijn mond op die van haar. Hij wacht tot ze haar lippen van elkaar doet en laat voorzichtig de wijn in haar mond lopen. Ze slikt en hij laat haar weer los. Hij knikt tevreden en neemt een slok van zijn wijn.
‘Je mag je wijn drinken.’
‘En dit wil je altijd als je wijn drinkt?’
‘Altijd.’
‘Ook in een restaurant, zoals laatst?’
‘Altijd als jij bij me bent.’
‘En hoe weet ik welke manier je wilt?’
‘Dat zul je leren. Zoals ik al zei, ik let op jou en ik kijk naar jou. Ik verwacht van jou dat je op mij let en dat je weet wat ik van je verlang.’
Hij legt zijn hand op haar rug.
‘Pak je wijn. Ik laat je het huis zien.’

Ze loopt naast hem en kan zich niet meer voorstellen dat ze nog geen uur eerder liever naar bed was gegaan met een boek.
Op dit moment is ze precies waar ze wil zijn en kan het haar niet schelen dat de maan nog heel ver weg is.

Show Buttons
Hide Buttons