Leven langs zijn regels

Het duurt lang voor Zoë helemaal wakker is. Het getik komt van ver, de stem die haar terug laat komen ook. Hoewel het schemerig is in de kamer, doet het licht toch pijn aan haar bonzende hoofd. Er staat iemand bij haar bed. Iemand die zacht haar naam zegt en dat het tijd is om op te staan. De dekens worden van haar afgeslagen en kou valt over haar lichaam.
‘Wakker worden Zoë, het is niet goed als je te lang slaapt.’
Haar ogen gaan open en ze ziet de vreemde kamer. Minggus kijkt op haar neer.
‘Kom, zitten. Ik heb een glas water voor je.’
Haar hoofd en lijf voelen verdoofd, net alsof er een griep aan zit te komen. Ze zit op de rand van het bed en pakt het glas water van hem aan. Hij duwt haar een witte pil in haar handen.
‘Innemen.’
‘Wat is het?’
‘Paracetamol, het zal de mist weghalen.’
Hij wacht tot ze de pil doorslikt, het glas water leegdrinkt en draait zich om.
‘Ik zal de douche voor je aanzetten, rustig lopen.’
Ze loopt wankel en houdt zich vast aan de muren en deurposten. Ze wil niet ziek worden.
Minggus wacht in de badkamer, kijkt haar aan. ‘Hoe voel je je?’
‘Alsof ik griep krijg.’
Hij lacht. ‘Geen griep. Alleen stofjes in je lijf die los zijn gekomen. Adrenaline, endorfine… die geven je een high gevoel. De paracetamol zal helpen. Ga douchen en dan aankleden. Ik zal handdoeken voor je neerleggen.’

Zoë staat onder de warme stralen en denkt aan de nacht die achter haar ligt. Op haar huid liggen nog kleine plakjes gestold kaarsvet. Ze pulkt ze los en laat ze wegspoelen met het warme water.
Het denken kost haar moeite. De beelden van de vorige avond lijken niet echt. Er ligt een filter over. Het kaarsvet en haar gevoelige tepels zijn het bewijs dat ze het niet gedroomd heeft.
Ze droogt zich af, slaat de handdoek om zich heen en loopt terug naar haar kamer. Ze herinnert zich dat ze vastbesloten was niet te blijven slapen.
Minggus zit op haar bed. Hij heeft de lakens rechtgetrokken. De deken ligt opgevouwen op het voeteneind. Haar beige jurk hangt over de stoel. Hij staat op en gaat voor haar staan.
‘Handdoek los.’
De handdoek valt op de grond en hij bekijkt haar, draait haar om en trekt haar billen een beetje uit elkaar. Zoë voelt haar gezicht warm worden en slaat haar armen voor haar borsten. Hij draait haar terug zodat ze hem aankijkt.
‘Je mag je lichaam niet bedekken. Het is van mij en ik kijk graag naar wat van mij is.’
‘Kleding is ook bedekking.’
‘Niet zo bijdehand Zoë. Ik zal je notities deze keer laten voor wat het is, de volgende komen in je boekje.’
‘Nee …’
‘Nee?’
‘Niet laten, ik wil het weten.’
Minggus glimlacht. Het is wie ze is. Zijn relatie met Janaila zal vragen bij haar oproepen, ook over de relatie die hij met haar heeft, maar het zal haar niet wegjagen. Ze is nieuwsgierig. Ze wil veel te graag weten.
Hij tilt een voor een haar borsten op. Hij heeft haar geen pijn gedaan gisteren. Niet echt. De prikkels die hij haar gaf, waren gericht op genot. Ze zal nog leren wat het is om genot uit echte pijn te halen. Pijnprikkels die hij bewust aanbrengt. Haar reacties zullen nog heftiger worden. Hij zal goed voor haar moeten zorgen en ze zal beseffen dat hij dat doet. Het zal haar helpen in het proces te accepteren wie ze is.
‘Ik ben erg gesteld op hygiëne en ik ben blij te zien dat dit voor jou ook geldt. Toch zal ik je regelmatig inspecteren. Je huid, je haren en vooral je openingen.’
Hij pakt haar handen, legt ze op haar achterhoofd en tilt haar kin op. Met zijn voet duwt hij die van haar een beetje uit elkaar.
‘Dan sta je op deze manier, je billen naar achteren, je borsten vooruit. Trots en zonder schaamte. Je scheert je om de dag, ook als wij elkaar niet zien en je spoelt minimaal één keer per week je anus. Binnenkort zal ik je laten zien hoe je dat moet doen. Ik inspecteer je wanneer je bij mij bent en wanneer je onder de douche vandaan komt. Begrijp je dat?’
‘Ja.’
‘Goed zo. Kleed je aan. We gaan ontbijten.’
Ze trekt haar jurk aan. Hij helpt haar met de rits en ze wil haar laarzen pakken. Minggus houdt haar tegen.
‘De volgende keer trek je je schoenen uit in de hal bij de voordeur. Ik zal zorgen dat er muiltjes voor je komen. Die draag je in huis, tenzij je naakt bent.’
Ze volgt hem naar beneden en zet haar laarzen op de plek die hij haar wijst. Ze ziet zwarte herenschoenen en bruine pumps met een bandje.
‘Van wie zijn die schoenen?’
‘Kom, het ontbijt staat klaar.’
Zoë loopt achter hem aan naar de keuken. De tafel is gedekt voor drie personen. Janaila schenkt thee in kleine kopjes. Ze draagt een lang gewaad dat nog het meest lijkt op een chique ochtendjas, aan haar voeten draagt ze donkergroene muiltjes van gevlochten leer.
‘Waarom is zij hier?’
Minggus gaat zitten, gebaart naar zowel Zoë als Janaila dat ze ook kunnen gaan zitten.
‘Janaila woont hier.’
Verbaast kijkt Zoë naar de vrouw. Minggus lijkt haar geen man die er een huisgenote op na houdt. Janaila kwam haar het boek brengen. Ze had het haar op een bijzondere manier aangeboden. Met gestrekte armen en iets gebogen knieën. Toen had Zoë het vreemd gevonden, nu herkent ze de invloed van Minggus. De geknielde positie die ze van hem aan moet nemen, de positie die hij haar zojuist leerde.
‘Is zij … zijn jullie …?’
‘Janaila is mijn partner, mijn maatje, mijn geliefde, maar ze is nog veel meer. Vertel het haar Saya.’
Zoë luistert naar de zangerige stem van Janaila.
Janaila is de slavin van haar Meester, Zijn Kajira. Ze is alles voor hem, hij is alles voor haar. Ze is zijn bezit en hij zorgt voor haar, beschermt haar. Ze doet alles voor hem en hij mag alles met haar doen. Wat hij wil. Ze leeft enkel voor hem, alleen maar om haar Meester te behagen. Janaila steekt haar kin vooruit.
‘Janaila draagt zijn collar met trots en ze draagt met trots de naam haar Meester haar gegeven heeft. Alleen hij mag haar aanspreken met die naam. Ik heet Saya. Voor mijn Meester ben ik Saya.’
‘Waarom zou je een andere naam willen, wat is er mis met jouw eigen naam?’
‘Wat ik wil is niet van belang, mijn Meester heeft de naam Saya gekozen en als ik het verdien dan zal hij mij met die naam aanspreken. Het is ook wat ik wil.’
Zoë kijkt naar Minggus. ‘Waarom Saya?’
‘Het betekent ‘van mij of mijn’ in het Maleis, want ze is van mij. Haar gedachten, haar lichaam, de lucht die ze inademt. Alles is van mij.’
Zoë denkt aan zijn woorden van vannacht. ‘Vanaf dit moment ben je mijn bezit en doe ik met je wat ik wil.’
Was dat spel? Alleen maar kijken hoe ver hij bij haar kan gaan en hoe ver zij hem laat gaan. Als hij Janaila heeft, waarom wil hij haar dan ook?
Ze slaat haar armen over elkaar.
‘Ben jij bezig een harem voor jezelf te creëren? Is dat wat je zoekt? Janaila, ik? Zijn er nog meer vrouwen, hebben die ook een eigen kamer?’
Minggus schiet in de lach, maar kijkt dan weer ernstig,
‘Haal je armen weg Zoë. Ik heb je gezegd dat ik dat niet prettig vind.’
Zoë kijkt hem boos aan, schudt haar hoofd en duwt haar armen steviger tegen haar borst. Minggus fronst zijn wenkbrauwen, zucht en voegt in zijn hoofd een notitie aan haar boekje toe. Ergens moet hij om haar lachen. Ze beseft niet dat ze eruit ziet als een boos klein meisje. Ze beseft ook niet dat die aanblik sterk werkt op zijn dominantie.
Hij pakt haar pols en trekt haar armen van elkaar. Ze werkt tegen, maar dat kan hem niet schelen. Hij heeft haar verteld hoe hij het wil.
‘Een open houding Zoë. Met mokken maak je geen indruk, het zorgt er alleen maar voor dat ik je wil straffen, wat ook zal gebeuren. En om je vraag te beantwoorden, ik zoek niet. Jij bent op mijn pad gekomen, net zoals Janaila ook op mijn pad is gekomen. Dat gebeurt met een reden. Ik kan daar niet aan voorbij gaan.’
‘Kan je dat niet of wil je dat niet?’
‘Dat kan ik niet. Mijn wil is sterk, zoals je nog zal gaan merken. De situatie waar je in zat, die was ongezond en het zou je gaan opbreken. Jouw onderdanigheid is groot en je hebt iemand nodig die je daarin leidt zonder je kapot te maken.’
‘En jij denkt dat jij die persoon bent?’
‘Dat weet ik. Anders hadden onze paden elkaar niet gekruist. Jij weet het ook.’
‘Ik weet helemaal niks.’
‘Dat klopt, je weet nog helemaal niks, maar dit weet je wel.’
‘Niet waar.’
‘Waarom ben je dan nog hier?’
Zoë weet het niet. Ze weet niet waarom ze niet opstaat en weggaat, wel dat ze nieuwsgierig is. Gisteren was het alleen zij en Minggus, dat voelde echt. Het voelt nog steeds echt, ondanks de aanwezigheid van Janaila.
‘Was zij vannacht ook hier?’
‘Ze woont hier, dus ja.’
Zoë schudt haar hoofd, kijkt naar Janaila.
‘En jij vindt dat goed? Dat hij en ik … Terwijl je weet wat …’ Weer schudt ze haar hoofd.
‘Het gaat niet om wat ik goed vind of niet. Het is wat hij wil.’
‘Maar je vindt het niet goed?’
Janaila richt haar hoofd op en kijkt Zoë aan.
‘Je zal nooit voor hem zijn wat ik ben. Je zal hem nooit mogen ontvangen …’
‘Genoeg Janaila! Je weet wat ik heb gezegd!’
Zoë schrikt van zijn stem en ziet de schuldbewuste uitdrukking op het gezicht van Janaila. Ze staat op, Minggus pakt haar pols en dwingt haar weer te gaan zitten. Boos kijkt ze hem aan.
‘Je gaat dus vreemd, met medeweten van haar. Zij vindt het niet goed, maar heeft zich er maar in te schikken omdat het is wat jij wil. Ooit van gelijkwaardigheid gehoord, van de persoon waar je van houdt niet kwetsen? Jij speelt met haar gevoelens en nu ook met die van mij. Laat me los! Ik wil naar huis!’
‘Je eet en je gaat naar huis als ik dat zeg, niet eerder. Janaila, naar je kamer. Ik kom je halen als ik Zoë naar huis heb gebracht.’
Zonder weerwoord staat Janaila op en ze verdwijnt in de smalle gang. Zoë hoort zacht een deur dichtvallen.
‘Ze wil dit niet.’
‘Dat is tussen Janaila en mij. Wil jij dit?’
Zoë drinkt van haar thee en kijkt hem nadenkend aan. Ze weet het niet goed. Ze denkt dat ze dit wil. Als Janaila er niet was geweest, dan wist ze het zeker. Minggus zijn relatie met Janaila, ze weet niet of ze met hem kan zijn terwijl ze weet dat Janaila er ook is.
‘Ik wil niemand kwetsen …’
‘Janaila en ik voeren hier gesprekken over en ze heeft hiermee ingestemd. Ze kan dit aan, het zal alleen niet vanzelf gaan. De vraag is of jij dit ook aan kan?’
Zoë knikt. Ze weet niet of het zo is. Geen enkele situatie uit haar verleden is te vergelijken met deze, maar ze denkt dat ze het kan. Als ze zorgt dat ze zich niet te veel aan Minggus hecht, als ze zorgt dat ze er rekening mee houdt dat het voorbij kan gaan en dat hij uit haar leven verdwijnt …
Hij pakt even haar hand. ‘Denk er niet te licht over. Soms zal het moeilijk zijn, niet alleen voor Janaila, ook voor jou. Misschien moet je er eerst over nadenken en niet nu meteen beslissen.’
‘Nee, ik kan het aan, ook als het moeilijk wordt. Dat weet ik zeker.’
Minggus knikt. ‘Mijn verwachtingen zijn hoog, mijn eisen ook en ik heb een sterke wil, wees je daarvan bewust.’
‘Ik kan het aan.’
Het zijn juist zijn woorden die maken dat ze het wil, dat ze het echt wil. Zoë wil ervaren hoe hoog zijn eisen zijn en hoe sterk zijn wil is. Ze wil voelen dat die sterker is dan die van haar.
‘Goed. Eet nu wat, dan breng ik je naar huis. Maar eerst zal ik je nog straffen.’
Zoë knikt. Hij zal haar laten voelen hoe het is om te leven langs de regels die hij opstelt. Leven langs zijn wil. Ze weet niet wat het is, maar diep van binnen weet ze dat ze daar altijd naar heeft verlangd.

Show Buttons
Hide Buttons