Het nut van het nutteloze

Ze vroeg hem waarom zij het niet leuk hoeft te vinden. Hij had geglimlacht en gezegd dat ze het antwoord op die vraag al weet.
Wat hij wil, of zij het nou leuk vindt of niet.
Ze vond het niet leuk. Het idee dat ze … Het was niet zo, dat wist ze nu, maar ze dacht dat het wel zo was. Hij speelde met haar hoofd en liet het haar geloven. Ze zal op gaan letten. Hij kan het vaker  doen, ze wil zich niet weer zo beet laten nemen.
Hij vroeg haar waarom ze deed op het moment dat hij het gordijn opentrok. Hij had haar losgelaten. Ze had zich om kunnen draaien, in elkaar kunnen duiken of zelfs weg kunnen lopen.
‘Je zei dat ik moest blijven staan. Je zou me straffen.’
‘Je wilde het niet.’
Ze had geknikt.
‘En toch bleef je staan? Vind je dat niet bijzonder?’
Ze dacht dat ze geen keus had, het was niet eens in haar opgekomen te bewegen. Hij zei dat ze stil moest blijven staan.
‘Alleen maar omdat ik het heb gezegd …’
Hij bracht haar thuis. Toen ze haar haren omhoog deed zodat hij de halsband los kon maken schudde hij zijn hoofd.
‘Je houdt hem om, ik wil dat je het voelt.’
‘Maar wanneer doe je hem dan af. Je hebt gezegd dat ik hem niet zelf af mag doen.’
‘Dat klopt. Zondag doe ik hem af, tot die tijd draag je hem. En je draagt hem trots. Ik wil niet merken dat je hem verstopt. Ik zal het controleren.’
Hij controleerde haar. De volgende dag kwam Janaila naar de winkel gekomen. Ze keek wat rond en kocht zelfs een hoge, rieten mand. Zoë wist dat ze niet was gekomen om iets te kopen, niet alleen maar. Ze kwam in opdracht van Minggus.
Janaila vroeg hoe het met haar ging. Zoë zag haar naar de halsband kijken. Ze zei er niets over, wenste haar een fijne dag en ging weer weg.
Zoë voelde zich boos en gekleineerd. Dat hij haar controleert vindt ze niet erg, maar dat hij Janaila stuurt …

Ze draagt de halsband nog steeds. Minggus haalt zijn vinger door de ring en trekt haar naar zich toe als ze naast hem in de auto gaat zitten. Hij geeft haar een zoen.
‘Heb je alles? Speeltjes, extra kleding?’
‘Alles.’
Stil zit ze naast hem. Ze weet waar hij haar naar toe brengt. Ze heeft geen idee hoe de avond er uit gaat zien, maar ze wil naar zijn huis en naar de kamer in de kelder. Ze wil dat hij haar vastbindt en blinddoekt. Alles wat hij al met haar heeft gedaan. Ze wil dat hij het weer doet. Ze verlangt er naar.
‘Is Janaila er ook?’
‘Janaila is naar haar ouders. Ze komt maandagochtend terug.’
Zoë is er blij om. Ze is bang dat het anders is als Janaila er ook is en dat ze anders op hem zal reageren nu ze weet dat Janaila ook in het huis woont. Ze wil niet dat het anders is. Ze wil dat het hetzelfde is.

In haar kamer kleedt ze zich uit. Ze gaat in positie zitten en wacht tot hij haar komt halen. Hij inspecteert haar, knikt goedkeurend en zegt dat ze naar beneden kan komen.
Ze knikt en volgt hem naar de kelder waar hij haar op het kleed laat knielen.
‘Vanavond wil ik dat je niets vraagt en niets weigert. Ik doe en je laat mij doen. Je luistert naar wat ik je vertel en je voert de opdrachten die ik je geef zonder protest uit. Kun je dat?’
‘Ja.’
‘Zonder dat je weet wat ik van je ga vragen?’
Zoë twijfelt. ‘Ik weet het niet, ik denk het.’
‘Ja of nee Zoë.’
Ja.’
‘Voortaan spreek je me aan met mijn naam. Dus, kun je dat?’
‘Ja Minggus.’
Hij trekt een kleine, metalen doos naar zich toe. Zoë ziet dat onder één van de houten stoelen nog zo’n doos staat.
‘In deze doos bewaar ik jouw spullen. Je speeltjes, je halsband en zaken die er gaandeweg bij zullen komen. Het zijn jouw spullen. Het is jouw doos, maar je mag hem alleen openen als ik je daar opdracht toe geef. In de doos zit een ketting. Ik wil dat je die eruit haalt en bij me komt brengen. Ik wil niet dat je op staat. Duidelijk?’
‘Ja Minggus.’
Op haar knieën beweegt Zoë zich naar de doos. Van haar speeltjes ziet ze alleen de dildo, verder de zwarte blinddoek, leren armbanden, touw en een lange, zilverkleurige ketting aan een leren riem. Ze haalt de ketting uit de doos en brengt hem naar Minggus.
‘Ik wil dat je hem aanbiedt.’
Ze denkt aan hoe Janaila haar het boek gaf en biedt hem de ketting aan, met gestrekte armen. Minggus knikt en pakt hem van haar aan.
‘Dank je Zoë. Je mag voor me blijven zitten.’
Hij legt de ketting in zijn volle lengte op de vloer. Zoë ziet het oog, met een sluiting en het leer. Het is een handvat. Minggus haalt zijn vinger door de ring van haar halsband en klikt het oog eromheen. Hij gaat staan en ze kijkt naar hem op. Voelt zich kleiner worden onder zijn blik en heeft een vermoeden wat hij van haar gaat vragen. Ze wil het niet en wil ook al bijna haar mond open doen.

Niks vragen, niks weigeren. Ze heeft ja gezegd. Ze had geen ja gezegd als ze dit had geweten.
Minggus gaat naast haar staan, legt even zijn hand op haar hoofd en doet dan een stap vooruit.
‘Ik wil dat je volgt Zoë.’
Ze kijkt naar haar handen en ziet zijn voeten uit haar zicht verdwijnen. De ketting komt van de grond omhoog en trekt aan haar halsband. Ze blijft zitten, kijkt Minggus niet aan.
‘Volgen Zoë.’
Ze schudt haar hoofd en zijn voeten komen weer naar haar toe.
‘Zonder protest, weet je nog?’
Weer loopt hij van haar weg, weer voelt ze de ketting trekken, weer blijft ze zitten. Minggus komt terug en herhaalt zijn stappen. Hij zegt dat hij wil dat ze volgt. Haar gedachten galmen door haar hoofd. Ze wil dit niet. Het is hetzelfde gevoel als in haar winkel, toen ze dacht dat hij … Maar dit is echt en het voelt … Ze weet niet goed hoe het voelt. Het zit hoog in haar borst en ondanks de luide nee in haar borst, wil ze het toch.
Het ritueel herhaalt zich. Minggus loopt van haar weg, de ketting trekt aan haar halsband en ze blijft zitten. Minggus komt terug, zegt dat hij wil dat ze volgt en loopt weer weg.
Bij de zesde keer tilt ze voorzichtig haar handen op, een voor een. Ze doet een stap naar voren, haar knieën volgen. Nog een stapje en ze blijft weer zitten, als een onwillig hondje. Zo voelt ze zich ook. Klein en niet menselijk. Een dier dat getraind wordt in het volgen van haar baasje.
Langzaam leidt Minggus haar langs de randen van het grote kleed. Regelmatig schudt Zoë haar hoofd en soms huilt ze. Hij ziet dat ze niet begrijpt waarom hij dit van haar vraagt. Ze doet er lang over. Het duurt ruim een kwartier voor ze terug is op de plek waar ze begon. Ze zou het in een minuut kunnen doen.
Hij legt de ketting naast haar, ze kruipt in elkaar en legt haar armen over haar hoofd. Hij laat haar huilen, schenkt rustig twee glazen wijn in en gaat weer bij haar zitten.
‘Kom Zoë, ik wil dat je mijn wijn proeft.’
Ze komt overeind. Haar gezicht is nat. Hij doopt zijn vingers in zijn wijn. Zoë opent haar mond en proeft de wijn. Ze kijkt hoe hij een slok neemt en pakt het glas dat hij haar aanbiedt van hem aan.
Hij knikt. ‘Je mag praten. Vertel met wat je denkt, wat je voelt.’
Zoë schudt haar hoofd en neemt een grote slok van haar wijn. Minggus pakt het uit haar handen.
‘Rustig, je hoofd is nu niet helder. Vertel.’
Ze wil het niet vertellen. Haar gevoel, zo klein, zo … Zo vernederd.
‘Waarom deze opdracht? Wat is het nut. Voor jou, maar ook voor mij.’
‘Ik wil dat je dit doet, maar dat is het niet alleen. Ik zie dat je het niet begrijpt. Ik ga het je proberen uit te leggen.’

Zoë luistert naar zijn stem. Hij vertelt hem dat zij hem toestemming heeft gegeven alles voor haar te bepalen. Daarmee zegt ze dat hij de baas is en in dit geval de Meester. Zij is zijn slavin. Hij geeft opdrachten en zij voert ze uit.
‘Vaak zullen de opdrachten die ik je geef functioneel zijn. Ze helpen mij om te doen waar ik op dat moment zin in heb. Wanneer ik zeg dat jij je mond open moet doen, dan heeft dat een functie omdat ik bijvoorbeeld mijn vingers in je mond wil doen. Als ik je vraag om voor mij te koken ook. Het is gericht op een bepaald resultaat en dus nuttig.’
Zoë knikt en wil haar mond open doen. Hij legt zijn vinger op haar lippen.
‘Het kan ook zijn dat ik je hele nutteloze opdrachten geef. Opdrachten waarvan het lijkt dat ze niet gericht zijn op een bepaald resultaat. Ik had ook tegen je kunnen zeggen dat ik wil dat je een kwartier lang naar de grond kijkt of met je handen boven je hoofd blijft staan terwijl ik naar je kijk. Allemaal voorbeelden van op het oog, nutteloze opdrachten. Volg je me nog?’
Ze kijkt hem aan. ‘Ja Minggus, maar …’
Hij schudt zijn hoofd en geeft haar haar glas. Ze drinkt nog steeds gulzig. Haar keel is droog. Als hij het glas weer uit haar handen heeft gepakt gaat hij verder. Zijn woorden banen zich een weg in haar hoofd en zoeken een plekje om zich te wortelen.
‘Al dit soort opdrachten zijn eigenlijk in één woord te vangen en dat is het woord vernedering. Daarmee bedoel ik niet de heftige vorm zoals schelden of je bewust voor gek zetten. Wanneer ik het heb over vernedering dan heb ik het over de basis; iemand nederig maken. Jou nederig maken. En nederig past in jouw geval dan weer heel erg mooi bij het woord onderdanig.’
Hij glimlacht. ‘Wanneer ik jou een opdracht geef waarmee voor jou niet direct duidelijk is wat het nut van de opdracht is, dan weet je dus dat de opdracht is bedoeld om mij te dienen. Je doet het niet omdat het handig is. Je doet het omdat ik het wil. En dan kom ik heel makkelijk uit bij het woord macht. Want doordat jij het doet omdat ik het wil, ook al is het iets wat niet direct nodig is of handig lijkt, voel ik dat ik die macht heb en dat jij mij die macht hebt gegeven. Het enige waar het om draait is jouw overgave aan mij door te doen wat ik van je verlang. Je hoeft het er niet mee eens te zijn zolang je het maar doet.’
Weer geeft hij haar het glas en ze drinkt. Minggus gaat weer staan en raapt de ketting van de grond.
‘Nog een keer Zoë, de kamer rond tot je weer hier terug bent. En graag iets sneller deze keer.’

Zijn woorden echoën in haar hoofd. Haar overgave aan hem. Wat hij van haar verlangt en wat zij wil dat hij van haar verlangt. Niet kleinerend, niet om haar te kwetsen. Enkel en alleen omdat zij hem die macht heeft gegeven.

Ze volgt hem langzaam. Nog niet in volle overgave, maar ze voelt dat hij naar haar kijkt en ze voelt dat hij tevreden is.

Show Buttons
Hide Buttons