Zusters

Ze heeft geen rekening gehouden met het diner. Nadat ze haar spullen van haar kraam weer in haar auto had geladen, wilde ze naar huis gaan. De enige reden dat ze het niet deed, was omdat ze niet weg wilde gaan zonder dat Minggus het wist. Hij zou het niet op prijs stellen.
Het is haar duidelijk dat hij veel mensen kent. Veel namen en gezichten. Ze vraagt zich af hoeveel mensen weten van hem en Janaila en hun relatievorm. Is het wel iets wat anderen moeten weten? En zij zelf? Wat vertelt hij over haar?. Mensen kennen hem. Wat als hij met haar is, zonder Janaila? Hoe gaat hij het uitleggen als mensen hem vragen stellen, over haar? Is hij daar dan open over?
Ze vindt hem, druk in gesprek en ze wacht tot hij haar ziet en tot hij klaar is. Hij wenkt haar en stelt haar voor aan de man die bij hem staat.
‘Dit is Seth, mijn neef. Seth, dit is Zoë.’
Seth knikt en glimlacht. Hij heeft een mooie glimlach en een fijn gezicht met scherpe trekken. Minggus zegt hem gedag. ‘Tot vanavond.’
Ze omhelzen elkaar zoals mannen kunnen doen.
‘Ik ga naar huis, even wat eten en me omkleden voor vanavond.’
‘Je blijft hier Zoë, je eet met mij.’
‘En Janaila?’
‘Je eet met mij en Janaila.’
‘Maar ik moet me omkleden, dit is geen kleding voor … Het is een diner.’
Hij pakt haar haar hand en loopt met haar naar een grote deur. Erachter is een lange gang en hij leidt haar langs de keuken vol bedrijvigheid en een trap op. Door nog een gang, kleine kamers en een smalle deur. In de kamer erachter vinden ze Janaila.
‘Hier kun je je omkleden, je kleding hangt daar.’ Hij wijst, ‘Janaila heeft het voor je uitgezocht, op mijn verzoek. Kom naar beneden als jullie klaar zijn.’
Hij geeft haar en Janaila een zoen en is weer weg. Zoë blijft staan en kijkt naar Janaila die naar haar glimlacht.
‘Er is een douche, mocht je je op willen frissen.’
Maar haar spullen, haar make-up. Hij had het haar moeten zeggen. Ze vond de kaarten voor het diner te duur. Ze had het hem verteld. Hij had haar moeten zeggen dat hij kaarten had dan had ze haar spullen meegenomen. Janaila ziet haar gezicht.
‘Hij vindt het prettig om voor je te zorgen, om voor ons te zorgen.’
Zoë kan voor zichzelf zorgen. Dat heeft ze altijd gedaan. Ze heeft geen andere vrouw nodig om haar kleding uit te zoeken. Dat kan ze heel goed zelf.
Ze kijkt naar de lange zwarte jurk en laat haar vingers langs de stof glijden. Het is een mooie jurk. Eronder staan zwarte schoenen met een smalle hak en een dun bandje.
‘Wat vind je ervan?’
Zoë knikt. Het is een jurk die ze zelf uit had kunnen kiezen. Een jurk die haar mooi zal staan ook.
‘Hoe wist je … hoe weet hij …’
‘Hij kent je Zoë en het is wat hij mooi vindt. Als hij het mooi vindt …’
‘Dan vind ik het ook mooi?’
Janaila lacht. ‘Ongeveer. Niet precies wat ik wilde zeggen, maar het komt in de buurt.’
Er is geen ondergoed, wel een dunne onderjurk, ook zwart en kousen met een gordeltje.
‘Ik draag nooit … ik weet niet hoe …’
‘Neem een douche, dan zal ik je helpen.’
Janaila kleedt zich uit en Zoë kijkt naar haar. Ze is verbaasd over het gemak waar ze zich beweegt. Naakt, terwijl Zoë naar haar kijkt. Ze is mooi. Haar donkere huid glanst en haar armbanden tinkelen tegen elkaar bij iedere beweging die ze maakt.
‘Doe je die sieraden nooit af?’
‘Alleen als ik ga douchen, wat jij nu ook moet gaan doen. Hij houdt niet van wachten.’
Zoë weet dat hij niet van wachten houdt. Ze begint hem langzaam aan een beetje te kennen.
Zoë draait zich om, begint zich uit te kleden. Ze weet dat hij niet van wachten houdt. Ze begint hem langzaam aan een beetje te kennen.

Ze loopt naast Janaila, achter Minggus. Als twee vriendinnen. Zusters. Zoals Minggus het wil. Janaila zijn kajira, Zoë zijn slavin. Janaila draagt een goudkleurige, lange jurk die past bij haar sieraden en ziet er zelfverzekerd uit. Zoë is onrustig omdat ze niet weet wat hij de rest van de avond van haar verwacht. Minggus gaat aan de tafel zitten en gebaart naar de twee lege stoelen naast hem. Aan elke zijde een vrouw. Zoals hij het wil en zoals het moet zijn. De andere mensen aan de tafel ken hij niet en hij stelt zichzelf voor, dan Janaila en Zoë. Hij bestelt een fles rode wijn en schenkt voor zichzelf in, daarna voor Janaila en Zoë. Hij laat Janaila proeven, dan Zoë. De verwonderde blikken van zijn tafelgenoten ziet hij niet.
Zoë ziet ze wel. Verbazing en nieuwsgierigheid. Ze vroeg zich af hoe hij het zou doen nu ze hier met zijn drieën zijn. Hij is niet anders dan ze van hem gewend is. Ze vindt het prettig. Ze vindt het prettig om naast hem te zitten en dat Janaila ook naast hem zit. Wat anderen denken zou niet belangrijk moeten zijn.

Ze hoort haar naam, kijkt om en staat op als ze Valerie ziet. Minggus volgt haar voorbeeld, Janaila ook. Valerie is vrolijk en enthousiast, een beetje te. Zoë ziet dat ze al een paar wijntjes op heeft. Ze vindt het toch leuk haar te zien en stelt haar voor aan Minggus en Janaila. Ze zwaait naar Raymond. Hij zwaait niet terug.

Misschien dat ze Valerie toch iets meer moet gaan vertellen. Ze zal haar vaker met Minggus tegenkomen en Janaila zal er ook vaak bij zijn. Valerie zal vragen stellen en Zoë wil niet tegen haar liegen. Ze hoeft haar niet alles te vertellen, hetzelfde wat ze Raymond ook heeft verteld.
Zoë wil dat Valerie weet en ze wil dat ze weet wie Janaila is en welke rol ze in haar leven heeft gekregen.

Zusters.

Show Buttons
Hide Buttons