Man, vrouw en leerling

Zoë volgt de bewegingen van Janaila door de kamer en hoort haar in de keuken. Geluiden, metaal op porselein, het koffieapparaat. Ze gaat verzitten en trekt haar jurk verder over haar benen. Het kost haar moeite haar ogen open te houden en als ze dat verdomde corset niet aanhad zou ze in slaap kunnen vallen. Gewoon hier op de bank, terwijl Janaila om haar heen reddert en ze wachten op Minggus.
Janaila zet een beker koffie voor haar neer.
‘Niet in slaap vallen Zoë. Hij kan hier elk moment zijn.’
Zoë wil haar schouders ophalen. Wat geeft het. Ze heeft hem de hele week niet gezien. Kort en simpel telefonisch contact, meestal in de vorm van kleine berichten met opdrachten. Eenvoudige opdrachten, zelden erotisch van aard. Dat hij wil dat ze lopend naar de winkel gaat, haar donkerblauwe jurk draagt of een hele avond naakt is bij alles wat ze doet.
Gespannen verwachting. Misschien komt hij om te controleren of ze de jurk echt aan heeft, misschien loopt hij haar tegemoet. Thuis verwacht ze hem bij elk geluid. Hoop die verdwijnt met het berichtje dat haar naar bed stuurt. Het komt niet in haar op om het niet te doen.

Nu is ze hier, in zijn huis en hij is er niet. Ze had verwacht hem te zullen zien. Ze moest iets voor de winkel regelen en Janaila kwam haar ophalen. Hij gaf haar het gebruikelijke kledingvoorschrift. Jurk, gordel, kousen. Geen ondergoed.
Haar huid gloeit nog rozig van de ontspannen ochtend die achter haar ligt. Er hangen zoete geuren om haar heen. Jasmijn, kokos en kersenbloesem. Ze was verbaasd om de verrassing van Minggus. Een uitgebreid saunabezoek voor haar en Janaila. Vier uur lang waande Zoë zich in een compleet andere wereld terwijl Janaila haar meenam langs een mix van stijlen en ervaringen. Een badritueel met geurende lavamodder in de oosterse ruimte. Een hamman reinigingsritueel in de Afrikaanse ruimte. Een hot-stone massage in de Scandinavische ruimte en een lichte lunch onder enorme, mozaïek ingelegde lampen terwijl Janaila haar bij alles uitleg gaf. Zoë was nog niet eerder in een sauna geweest.

Janaila komt naast haar zitten. ‘Voelt fijn toch? We gaan vanaf nu één keer per maand. Het is goed voor je en Minggus vindt het prettig om voor ons te zorgen.’
‘Gaat hij de volgende keer mee?’
‘Minggus gaat nooit mee. Hoe voelt je corset?’
‘Strak.’

Janaila had een extra tas bij zich. Niet voor zichzelf, maar voor Zoë. In de tas zaten een donkerrode overslag jurk van glanzend materiaal, dunne, zwarte kousen, schoenen in dezelfde donkerrode kleur als de jurk en het corset. Janaila had eenzelfde outfit aangetrokken, zachtpaars. Ze zagen eruit als vriendinnen, zusjes die genoten van een ontspannen ochtend in de sauna. Janaila behandelt haar als een zusje. Het kleine zusje dat nog veel moet leren.

‘Het went sneller dan je denkt. Kom, ik zal je haar doen, Minggus wil dat je hals vrij is.’
‘Waar is hij?’
‘Hij had een bespreking, maar hij is onderweg.’
‘Hij had er moeten zijn, als ik dit had geweten had ik vanmorgen zelf naar de winkel kunnen gaan.’
‘Je hebt niet genoten van de sauna?’
‘Jawel, maar ik wil niet steeds Valerie vragen. Ze heeft het druk genoeg met haar eigen dingen. Zaterdag is de drukste dag. Je had me ook daar op kunnen halen. Minggus weet dat mijn winkel belangrijk voor me is.’
‘Je hebt niet genoten Zoë?’
‘Jawel! Dat zeg ik net toch? Het is alleen …’
‘Dan stel ik voor dat je stopt met je ontevreden gezeur. Je hebt Valerie wel gevraagd, punt. Minggus zal het niet waarderen als hij merkt dat je ondankbaar bent.’
‘Ik ben niet ondankbaar! Het is alleen …’
‘Ophouden Zoë! En stilzitten. Ik wil je haar opsteken.’
Zoë houdt een beetje mokkend haar mond. Janaila is het verlengstuk van Minggus. Ogen en oren wanneer hij er zelf niet is en het kost Zoë soms moeite haar niet als een rivale te zien. Een mededinger om de tijd en aandacht van Minggus. Ze wil niet samen met Janaila. Dat ze van haar weet, is één ding, maar ze wil niet dat hij haar iets laat ervaren als Janaila erbij is. Ze is van hem. Niet van Janaila.
‘Wat gaan we doen als hij er is?’
‘Dat merk je wel.’

Janaila glimlacht om het gezicht van Zoë en ze kan zich voorstellen dat ze zelf ooit ook zo was. Willen weten. Uitkijkend naar elke volgende ontmoeting en iedere nieuwe ervaring. Gretig en nieuwsgierig.
Minggus zei al dat Zoë vragen zou stellen. Wat, wanneer en hoe. Janaila mag niets zeggen en alleen zorgen dat ze samen een ontspannen ochtend hebben. Janaila is niet jaloers. Zoë is een kind. Ontdekkend en groeiend. Ze zal haar vleugels uitslaan, zoals kinderen doen. Zoë zal er naar gaan verlangen haar vleugels uit te slaan.

Verbaast loopt Zoë achter Minggus en Janaila aan. Ze wandelen hier nu al zeker een uur zonder iets te zeggen en de keren dat Zoë haar mond open deed, maande Minggus haar rustig dat ze stil moest zijn. Ze heeft vragen. Waarom zijn ze hier en waarom. Waarom zowel Janaila als zijzelf en waarom zijn ze nog niemand anders tegengekomen. De tuin is prachtig en mooi aangelegd. Grote rotsen, kleine vijvertjes, houten bruggetjes en watervallen. Japanse elementen en grote Koi-karpers in de centraal gelegen vijver. Ze zijn er al twee keer omheen gelopen. Twee keer via een ander pad. Hoe langer ze hier in stilte achter Minggus loopt, hoe meer de rust bezit van haar neemt. Ze hoort vogels, stromend water en het zachte getik van een bamboe windelement. Waarom lijken ze de enige mensen hier te zijn. Dit is een plek om te zijn. Om de schoonheid en stilte in je op te nemen, zeker op een dag als deze.

Minggus slaat een smal pad in. Er staan grote struiken en bomen, jong blad en bloesem dat uit de knoppen komt. Aan het eind van het pad is een gebouw. Witte muren en donker hout, een aflopend dak met oranje pannen. Er staan grote potten met violen naast de ingang.
Minggus houdt de deur open voor haar en Janaila, Janaila eerst, dan Zoë. Ze komen in een kleine, lichte ruimte. Tegen de muur staat een smalle, houten bank en er tegenover een donkere kast. Minggus gaat op de bank zitten en Janaila knoopt haar jurk los, verwijdert haar sieraden en haar koperen collar. Zoë dacht dat ze die nooit...
Minggus knikt om aan te geven dat ze het voorbeeld van Janaila moet volgen. Zoë trekt de jurk uit en hangt hem in de donkere kast. Minggus staat op en loopt weer naar buiten. Janaila volgt. Zoë aarzelt. Op het corset en haar kousen na is ze naakt. Haar borsten en onderlijf zijn onbedekt, net als die van Janaila. Minggus kijkt haar aan.
‘Kom Zoë. Volg mij en doe als Janaila.’
Ze loopt langs hem naar buiten. Haar huid reageert meteen op de koele lucht. Minggus loopt naar een houten bank naast het gebouw en neemt plaats. Janaila knielt aan zijn rechterkant. Zoë kijkt zenuwachtig om zich heen. Ze heeft geen andere mensen gezien, maar toch. Stel je voor dat …
‘Kom zitten Zoë. Er is niemand.’
Ze neemt plaats aan zijn linkerkant. Zijn hand ligt op haar schouders, zijn andere hand op de schouders van Janaila. Een man en zijn vrouwen. Niemand praat en de tijd gaat voorbij. Zoë heeft geen idee hoe lang ze daar zitten als er plotseling een man uit het gebouw komt. Ze schrikt en wil zichzelf bedekken. De zachte druk van Minggus zijn hand vertelt haar dat ze moet blijven zitten.
De man draagt een lang, Japans gewaad en maakt een diepe buiging als hij voor Minggus staat. Minggus staat op. Janaila en Zoë volgen zijn voorbeeld. Ze lopen een tweede cirkel om de grote vijver heen. De geluiden die Zoë eerder hoorde, verdwijnen naar de achtergrond. Ze wordt zich bewust van iedere beweging die ze maakt en elk sensatie op haar huid en in haar lichaam. De kou prikkelt tussen de naaktheid van haar benen en langs haar borsten zodat haar tepels hard vooruit gaan staan. Ze kijkt naar de man die voorop loopt, naar Minggus en Janaila en ze vraagt zich af of Janaila dezelfde sensaties beleeft. Ze vraagt zich af of Janaila weet wat er verder gaat gebeuren, wat ze er van vindt dat zij hier ook is en wat de rol van de zwijgende man is. Waarom was hij niet verbaasd toen hij Minggus en twee half naakte vrouwen zag.

Achter het witte gebouw is een kleine fontein. De man wast zijn handen en mond en verdwijnt in het gebouw. Minggus laat zijn handen en mond door Janaila wassen. Hij wacht tot ze zichzelf heeft gereinigd en wenkt dan Zoë. Hij pakt haar handen en duwt ze in het water, neemt een handvol om haar mond te reinigen en gebaart dat dat ze beiden moeten knielen. Zoë doet wat Janaila doet. Ze knielt en legt haar handen op haar rug. Voorzichtig duwt Minggus haar ogen dicht. Een rinkelend geluid, een korte klik, geritsel en een zucht. Ze voelt zijn warme handen bij haar hals en het koele leer er omheen. Ze herkent het gevoel. Hij duwt zijn lippen op die van haar en geeft haar een klein tikje tegen haar wang. Ze opent haar ogen, laat zich omhoog helpen en kijkt even naar Janaila. Ze draagt haar collar weer.

Minggus leidt hen naar de deur waar de man door verdween. De entree is laag en Zoë moet diep bukken. De ruimte achter de deur is sober ingericht. Er liggen rieten matten op de grond en in het midden is een gat met daarboven een grote ketel waar warme damp uit komt. Zoë volgt Minggus en Janaila naar een nis waar een papierrol hangt. Ze leest de de sierlijk geschreven woorden.

‘Als de leerling bereid is, zal de Meester verschijnen.’

Zoë kijkt vragend naar Minggus. Hij ziet het niet. Zijn ogen zijn gericht op Janaila en even schiet er een steek door haar buik. Die spreuk is bedoeld voor haar. Zoë weet het zeker. Zij is de leerling, Minggus is niet haar Meester. Nog niet. Wat wil dit zeggen? Zal hij haar Meester zijn als ze bereid is? Maar ze is bereid.

Zoë kijkt en volgt. Ze mag geen vragen stellen en niets zeggen. Ze doet wat Minggus en Janaila doen.
Zodra ze geknield om de ketel zijn gaan zitten verschijnt de man weer. Hij brengt eten. Een lichte maaltijd van gebakken groenten en gekookte vis. Minggus eet eerst, dan Janaila, dan Zoë. Wanneer ze klaar is legt de man met een aantal bijzondere bewegingen nieuw houtskool onder de dampende ketel. Hij maakt een diepe buiging en verdwijnt. Minggus en Janaila staan op en verlaten de ruimte, Zoë volgt. Ze knielt aan de linkerkant van Minggus en wacht in stilte. De stilte zorgt dat ze meer en meer in zichzelf gekeerd raakt en de vragen verdwijnen langzaam uit haar hoofd.

Het geluid van een gong haalt haar  terug naar waar ze is en maakt dat ze weer volgt. Ze gaan terug naar de ruimte. In de nis staat nu een vaas met bloemen. Ze zitten geknield rond de ketel terwijl de man met dezelfde bijzondere bewegingen en gebaren een kom pakt. Hij schept met een stenen lepel groen poeder uit een gelakte doos en laat het in de kom vallen. Met een diepe soeplepel schept hij kokend water uit de ketel en giet dat over het groene poeder. Hij laat het water in de kom dansen tot het zich volledig met het poeder heeft vermengd. Het mengsel in de kom ruikt sterk en is een beetje troebel.
Hij buigt en zet de kom voor Minggus op de grond. Die beantwoordt de buiging en neemt de kom in zijn linkerhand. Met zijn rechterhand draait hij de kom in drie korte bewegingen rond in de palm van zijn hand. Hij neemt drie slokjes, veegt de rand van de kom schoon met de vochtige doek die hem wordt aangereikt en geeft de kom aan Janaila die de handelingen herhaalt, drie slokjes neemt en de kom weer teruggeeft aan Minggus. Hij herhaalt, neemt de kom in zijn linkerhand, draait rond en neemt drie slokjes. Na het schoonvegen geeft hij de kom met een buiging aan Zoë. Ze kopieert wat ze hem heeft zien doen. Draaien, drinken, schoonvegen, buigen en teruggeven. Minggus knikt en geeft de kom terug aan de man. De kom en de lepels worden schoongemaakt met vochtige doeken en de man legt nog een keer nieuwe kooltjes onder de ketel.

Zoë schrikt als het geluid van zijn stem de stilte doorbreekt. Hij praat zacht met Minggus terwijl hij drie kleinere kommetjes tevoorschijn haalt en het hele ritueel herhaalt. Janaila glimlacht en knikt naar Zoë. Zoë glimlacht niet terug. Ook niet als de man zacht het woord tot haar richt. Hij bereidt een kleine kom thee voor haar en klopt met een klein bamboekwastje tot de thee begint te schuimen. Zoë kijkt naar Minggus. Zijn hand ligt op Janaila haar heup en hij laat haar uit zijn kom drinken. De blik in zijn ogen is liefdevol. Liefdevoller dan ze hem ooit heeft zien kijken en met pijn in haar borst realiseert ze zich dat ze voor hem nooit zal zijn wat Janaila voor hem is. Hij zal nooit haar Meester zijn. Niet volledig. Hij zal haar aan de hand nemen, soms zelfs samen met Janaila. Haar zal haar laten voelen en laten ervaren. Laten leren en verwachten dat ze leert. Hij zal haar laten groeien, maar ze zal altijd zijn leerling blijven, altijd de tweede in de rij. Nooit zijn vrouw. Nooit zijn Slavin. Die rol heeft hij aan Janaila gegeven.

Ze slaat haar ogen neer als hij haar aankijkt. Ze ziet niet dat hij glimlacht en volgt weer als hij opstaat en haar en Janaila terugbrengt naar de ruimte waar ze de jurken hebben achtergelaten. De stilte is verdwenen en ze luistert naar hun zachte stemmen zonder echt te horen wat er wordt gezegd. Ze vraagt niets, Minggus vertelt niet. Niets over het nut van deze ceremonie en dit ritueel, want dat is wat het is. Minggus en Janaila doen dit vaker. Om te verdiepen wat er is. Om extra te voelen wat ze van elkaar zijn en dat ze gelijk zijn. Man en vrouw. Meester en slavin.

Toen de stilte kwam, verdween de tijd, nu loopt hij weer en Zoë voelt haar tranen branden. Na de straf die hij haar vorige week gaf, straft hij haar nu nog extra door haar te laten zien wat zij nooit van hem zal zijn. Ze zal altijd op hem wachten. Op zijn tijd en op zijn aandacht. Het zal nooit genoeg zijn.
Zijn warme hand in haar nek troost haar maar een beetje.
‘Kom. We brengen Janaila naar huis. Daarna ga je met mij mee.’
‘Wat gaan we doen?’
‘Dat merk je wel.’
Tijd en aandacht. Nu voor haar en Janaila samen, dan voor haar alleen en dan weer voor Janaila. Zo zal het gaan en er zal een moment komen dat hij haar vergeet. Er komt een moment dat hij er niet meer zal zijn. Zo gaat het.

Als de leerling is uitgeleerd, is de Meester niet meer nodig.

Show Buttons
Hide Buttons