Tussen droom en werkelijkheid

Haar hoofd is licht en leeg. Haar huid gloeit en haar ogen branden. Opgedroogde tranen liggen op haar wangen. Tranen omdat hij haar bracht waar ze wilde zijn en omdat hij haar weer terug haalt. Zijn dwingende woorden worden vergezeld van harde tikken in haar gezicht.
‘Terugkomen Zoë. Ik wil niet dat je daar blijft.’
Ze klampt zich aan hem vast, alsof ze zou kunnen verdrinken als ze hem loslaat. Ze weet dat ze verdrinkt als hij haar loslaat. Ze wil niet terug komen. Ze kan niet anders.

Hij ondersteunt haar en wankelend loopt ze terug naar de auto. Haar lichaam is gevuld met gloeiend genot. Scherp bij haar borsten, heet in haar buik en vochtig langs de binnenkant van haar dijen. Om haar heen hangt een sterke, zoetige geur. De huid van haar billen klopt nog van zijn handen.

Ze vraagt om haar jurk, hij schudt glimlachend zijn hoofd en start de auto.
‘Thuis krijg je de jurk.’
De motor zoemt zacht en Zoë doet haar ogen dicht.
Toen hij de blinddoek verwijderde zag ze de aanblik van haar borsten. De ketting stond strak gespannen tussen zijn vingers en haar tepels en de doffe pijn kwam los toen hij zonder waarschuwing de klemmetjes opende. Van zwak naar scherp en van scherp naar zoet. Hij duwde zijn vingers bij haar naar binnen en sloeg met zijn vlakke hand op haar billen. Ze zweefde weg van de banden rond haar enkels en polsen en weg van haar beperkte bewegingsvrijheid. Alles kwam los in haar buik, met golven en ze voelde het vocht langs haar benen lopen. Heet en geurend. Warm en bonzend. Zacht en vertrouwd.

‘Ogen open Zoë. Niet in slaap vallen. Straks mag je slapen.’
Ze probeert zichzelf te dwingen wakker te blijven, maar heeft elke keer zijn woorden nodig.. Het bonzen gaat zwaar in haar hoofd gaat zitten.
‘Praat met me Zoë, vertel me wat je voelt.’
Ze weet niet wat ze voelt, alleen maar dat ze niet wil dat het stopt.
‘Waarom haal je me terug …’
Hij legt het haar uit. Ze mag daar niet blijven. Als hij haar laat gaan dan lukt het hem niet meer haar terug te halen en is hij de controle kwijt.
‘Dan zul je je verloren voelen Cara. Je hebt mij nodig om terug te komen.’
‘Doe je dat ook bij Janaila?’
Het gezicht van Janaila verschijnt levensgroot en glimlachend op het moment dat ze haar naam uitspreekt. Het genot wordt doorgegeven.
‘Wat ik met Janaila doe, gaat jou niets aan.’
‘Vertel je haar wat je met mij doet?’
‘Ik vertel haar alles.’
Ze drijft weg op zijn stem en valt weer terug als hij haar roept.
‘Wakker blijven Zoë!’
Ze verlangt naar verkoeling. Het gloeien van haar huid wordt met de minuut sterker en heter.
‘Waarom mij niet?’
‘De leerling hoeft niet alles van haar leraar te weten. Ogen open!’
De hele weg naar huis blijft ze hangen tussen het zweverige gevoel en zijn dwingende stem die haar er weer bij haalt. Hij vraagt haar te beschrijven wat ze voelt en wat ze voelde.

‘De druk van mijn bewegende vingers in jouw warmte. Wat voelde je toen het vocht loskwam?’
Alsof ze zelf loskwam.
‘De scherpte van de tandjes in je tepels?’
Alsof ze in zichzelf verdween.
‘Hoe voel je je nu?’
Alsof ze er niet is.
‘Terugkomen!’

De auto komt tot stilstand. Weer slaat hij haar in haar gezicht. Ze opent haar ogen en stapt uit. Ze vraagt nog een keer om haar jurk en loopt naakt naast hem. Zijn armen liggen beschermend om haar heen. Ze is thuis. Het is alleen maar thuis omdat hij er is.
Hij geeft haar te drinken en brengt haar naar haar bed waar hij haar uitkleedt. Hij verwijderd het gordeltje, de kousen en het strakke corset.  Ze houdt zijn handen tegen als hij haar halsband los wil maken. Ze wil niet los. Hij laat de halsband om. De koele lakens van het bed temperen haar verhitte lichaam. Hij gaat naast haar liggen en slaat zijn armen om haar heen.
‘Nu mag je slapen.’
Ze slaapt, maar is zich bewust van zijn aanwezigheid en zijn bewegingen. De druk van zijn armen verdwijnt. Ze opent haar ogen, hij legt zijn hand op haar hoofd.
‘Ik ga naar huis Zoë. Bel me zodra je wakker bent.’
In haar hoofd ligt hij nog naast haar met zijn armen stevig om haar heen. In haar hoofd en lichaam is hij altijd bij haar.

Ze belt hem tegen vier uur in de ochtend. Het telefoontje haalt hem uit een diepe, tevreden slaap.
‘Goedemorgen Cara. Je bent vroeg.’
Ze is in paniek en het is een andere paniek dat hij had verwacht. Hij is klaarwakker en staat al naast zijn bed. Haar woorden verjagen het laatste restje van zijn slaap.
‘Mijn winkel! Er is brand, de winkels ernaast ook … Mijn spullen. Er is brand! Ik moet er naar toe!’
Hij loopt naar de kamer van Janaila en klopt op haar deur, ze zit slaperig in positie naast haar bed, hij gebaart dat ze op moet staan.
‘Blijf waar je bent Zoë. We komen naar je toe. Wacht op ons.’
Hij blijft tegen haar praten en probeert haar gerust te stellen. Ondertussen kleedt hij zich aan. Janaila doet hetzelfde. Hij hoort aan de stem van Zoë dat ze nog niet helemaal is geland. Ze zweeft nog tussen de droom en de werkelijkheid. Ze zal hem nodig hebben om de werkelijkheid te accepteren.

Show Buttons
Hide Buttons