Geen ruimte voor jaloezie

Wat hij voelt slaat op haar over en wordt versterkt door de gehaaste bewegingen die hij maakt. Voorzichtig laat hij het mes door de touwen glijden. Losmaken kost teveel tijd. De workshop is onderbroken. Het geluid van zijn telefoon haalde haar ruw uit de beginnende roes gehaald. Hij verontschuldigde zich terwijl zijn voetstappen zich verwijderde. Hij kwam terug met nog meer verontschuldigingen.
‘Het spijt me, we moeten weg, mijn vrouw …’
Zoë weet het meteen. Janaila … de enige die hij ooit zijn vrouw zal noemen.
De mannen zijn begripvol. Het is geen probleem. Natuurlijk moet hij weg. Ze wacht tot hij bij haar terugkomt en de blinddoek verwijdert. Wat ze op zijn gezicht ziet, heeft ze nog  niet eerder gezien. Angst en ontreddering. Het neemt ook bezit van haar, zonder dat ze hoeft te vragen wat er aan de hand is. Janaila zou hem niet storen als het niet nodig zou zijn.

Hij geeft gas en ze houdt zich krampachtig vast aan het portier. Het verkeer lijkt tergend langzaam te gaan.
Janaila zit in elkaar gedoken onder aan de trap. Haar gezicht is vertrokken van de pijn en ze kermt als ze probeert op te staan. Zoë staat al met haar telefoon in haar handen om een ambulance te bellen. Janaila gilt het uit als Minggus haar optilt. Zijn kaken staan strak op elkaar en de pijn lijkt op hem over te slaan. Zoë zegt dat er een ambulance moet komen. Hij schudt grimmig zijn hoofd.
‘Ik breng haar. Kom.’
Janaila ligt met haar hoofd op haar schoot en Zoë streelt onhandig haar haren. Haar kreten van pijn doen haar rillen en ze weet dat dit niet goed kan zijn.
Bij de hoofdingang van het ziekenhuis tilt Minggus Janaila uit de auto. Ze krijst en mensen in witte jassen komt haastig aansnellen met een brancard.
‘Zoë! Kom!’
Ze volgt de brancard en Minggus naar een witte kamer. Minggus weigert te wijken en de verpleging kijkt hulpzoekend naar Zoë.
Ze probeert rustig tegen hem te praten, maar komt met moeite boven het gejammer van Janaila uit.
‘Kom Minggus, ze moeten haar onderzoeken. We gaan nergens heen, alleen maar buiten deze kamer. Janaila zal je roepen als ze je nodig heeft…’
Janaila roept al.
‘Nee…! Niet weggaan Meester.’
‘We blijven.’
Hij gaat bij de muur staan en geeft ruimte aan het verplegend personeel en de arts. Met een korte knik van zijn hoofd laat hij Zoë weten dat ze bij hem moet komen staan. Ze pakt zijn arm en probeert de geluiden van Janaila buiten te sluiten. Haar tranen laten zich niet tegenhouden. Het is pijn om de pijn van Minggus en Janaila. Angst om Janaila.

Ze leunt tegen Minggus en veert hoopvol op bij iedere beweging in de lange gang. Ze wil iets doen en het stilzitten valt haar zwaar. Minggus lijkt er geen moeite mee te hebben. Hij zit roerloos. Ze wil hem niet alleen laten. Hij staat niet toe dat ze hem alleen laat. Ze vraagt of hij koffie wil, thee, water. Hij wil niets. Ze wil dat hij praat en dat hij haar vertelt dat het goedkomt.
Janaila heeft een tumor in haar buik en de organen eromheen kwamen gevaarlijk in de verdrukking. Het veroorzaakte een helse pijn. Een operatie is nooit zonder risico’s, maar Janaila is jong en verder gezond. Bijna helemaal gezond. Ze wordt verder onderzocht. Het kan kwaadaardig zijn.
De chirurg komt vertellen dat de operatie is geslaagd. De tumor is verwijderd, Janaila ligt op de uitslaapkamer. Ze zullen hen laten weten wanneer ze bijkomt. Zoë huilt en Minggus schudt zijn hoofd.
‘We gaan nu naar haar toe.’
De arts weigert vriendelijk, maar beslist. Minggus antwoord net zo beslist.
‘Ik wil haar zien. We willen haar zien. Nu!’
Zoë pakt zijn arm. ‘Het kan niet, nog niet. We blijven hier. Zodra we bij haar mogen …’
Ze herkent de blik in zijn ogen. Hij verwacht dat het gebeurt zoals hij het wil en haar nervositeit omdat ze tegen hem ingaat, landt bovenop de onrust om Janaila.
De arts verdwijnt weer. ‘Ik laat u halen zodra uw vrouw wakker is.’

De tijd tikt verder en ze dommelt weer weg tegen zijn schouder. Minggus zit stil en recht op de stoel, zijn handen rusten op zijn bovenbenen. Ze weet dat zijn gedachten hetzelfde als die van haar zijn. Wat als het niet goed is?

Het lijkt alsof ze door een dikke laag wolken loopt. Janaila ligt wit en stil in het ziekenhuisbed en glimlacht moeizaam als ze Minggus ziet. Minggus gaat naast het bed zitten en Zoë ziet de blik in zijn ogen. Janaila is de slavin, Minggus de Meester, maar het is veel meer dan dat. Het is veel meer dan liefde. Inniger en dieper heeft Zoë nog niet eerder gezien en ze probeerde zich onzichtbaar te maken. Nog geen halve dag geleden brandde de jaloezie nog fel in haar borst, maar ze kan onmogelijk jaloers blijven, niet nu ze dit heeft gezien.

De woorden van de arts zijn alarmerend. Janaila had een grote, kwaadaardige tumor in haar buik en de behandeling moet direct gestart worden. Morgen krijgt ze een echo om eventuele uitzaaiingen op te sporen, daarna gaan ze starten met de bestraling en de chemo.
Hoe het eruit gaat zien is moeilijk te zeggen. Als er geen uitzaaiingen zijn hoopvol. Als …

Janaila die zegt dat ze moeten gaan en ook moeten rusten.
‘Morgen is weer een dag en ik lig hier goed…’
Uiteindelijk gaan ze. Minggus rijdt naar het huis van Zoë en ze schudt haar hoofd.
‘Ik wil met jou mee …’
‘Je gaat ook met mij mee. Voorlopig blijf je bij mij, en als Janaila thuis is bij ons.’

De vermoeidheid wordt zwaarder. Zoë loopt doelloos door haar huis. Ze is nerveus en laat spullen uit haar handen vallen. De spanning komt los. Ze pakt een tas in en huilt omdat ze niet weet of ze alles heeft. Minggus loopt met twee treden tegelijk naar boven. Het duurt even voor ze doorheeft dat de bel gaat. Minggus rent weer naar beneden en opent de deur. Hij roept haar.
‘Zoë, Valerie is hier. Ik zet de tassen in de auto en schiet op.’
De haast is niet meer nodig, maar leeft nog in zowel Minggus als Zoë. Wat als het al te laat is. Minggus zonder Janaila en dan?
‘Wat is er Valerie, we hebben haast.’
Valerie wil praten. Zoë schudt haar hoofd en loopt naar buiten. Ze draait de voordeur in het slot.
‘Niet nu, ik heb geen tijd.’
Valerie smeekt en verwijt haar dat ze niet terugbelt.

Er is geen ruimte voor Valerie. Haar hoofd is te zwaar en te vol en haar woorden glijden onsamenhangend langs haar heen. Ze praat over een nieuwe start, dat ze genoeg geld heeft en dat ze kan helpen. Een nieuwe winkel, maar nu samen.
Haar winkel … Het was weg. Verward kijkt ze Valerie aan. Het is nog steeds weg.
‘Later Valerie, het komt nu niet goed uit.’
Ze gaat naast Minggus zitten. Op zijn gezicht ziet ze de vermoeidheid die ze zelf ook heeft. Hij zegt dat hij teruggaat naar het ziekenhuis. Janaila heeft hem nodig. Hij heeft Janaila nodig. Zoë knikt.
Natuurlijk gaan ze terug.
Zoë heeft Janaila net zo hard nodig.

Show Buttons
Hide Buttons