Stilstand

De tijd van Zoë bestaat uit wachten op Minggus. Ze wacht op een feest, waar ze hem niet kan vinden. Ze wacht op een berichtje of een telefoontje. Ze wacht op haar kamer. Ze wachten tot hij hij bij haar komt en tot hij haar vertelt wat hij van haar verwacht.
‘Wacht op mij Zoë. Ik kom naar je toe.’
Hij komt elke avond naar haar toe. Soms neemt hij haar mee naar zijn werkkamer, waar ze geknield naast hem zit en een glas wijn met hem drinkt. Soms laat hij haar naakt door het huis kruipen. Aangelijnd en de smalle halsband om haar nek. Veel vaker komt hij haar alleen welterusten wensen en verdwijnt hij in de stilte van het huis. Janaila heeft hem nodig.
Zoë heeft hem ook nodig, maar hij laat haar leeg achter. Haar verlangens komen niet meer naar buiten omdat ze niet weet waar ze naar toe moeten. Ze wacht, in positie en naakt. De tijd volgt ze niet meer. Haar teleurstelling neemt grote proporties aan als ze ziet hoe lang hij haar laat wachten.
Ze is goed in staat om in zichzelf te keren als ze op hem wacht. Haar naaktheid voelt ze niet meer. Haar lichaam leeg en haar hoofd dwaalt naar andere plekken. Naar haar winkel, zoals het was en naar het feest van vanavond en het gezicht van die man.

‘Vraag het je Meester…’

Ze heeft geen Meester. Minggus zei het ook. Hij is haar Meester niet. Ze hoeft het hem niet te vragen. Ze wil het hem vragen. Ze wil weten wie die man is en ze wil hem nog een keer zien. Ineens weet ze zeker dat hij niet het dansen bedoelde toen hij zei dat ze bij hem terug moest komen. Ze weet niet waarom.

In haar hoofd loopt ze weer door de kamers van het grote huis. Zo’n huis. Voor haar winkel. Een huis dat nog vergeten tijden uitademt. Zoals haar winkel vergeten tijden uitademt.
Ze droomt van wat kan zijn en maakt plannen die ze niet tot uitvoer kan brengen. Minggus geeft haar de ruimte niet. Hij is egoïstisch. Ze is hier vooral voor hem en Janaila. Ze deelt in zijn zorgen en haar eigen verlangens stopt ze ver weg.
Ze dommelt weg, schrikt wakker en dommelt weer. Ze droomt met open ogen. Het oude huis verschijnt in haar hoofd, de kamers zijn gevuld met jaartallen, lange jurken en hoeden met veren. Ze ziet een gebruind gezicht met kleine littekens en groene ogen. Ze hoort de woorden.

‘Kom dan naar me terug.’

Haar ogen gaan weer open en haar benen gevoelloos. Ze kijkt nu toch op de kleine wekker naast het bed. Minggus is niet gekomen. Hij had haar wakker gemaakt als dat wel zo was. Ze staat op en slaat een laken om zich heen. De gang is donker, de trap naar beneden ook. De slaapkamerdeur van Janaila staat op een kier. Het bed is leeg. De slaapkamer van Minggus is ook leeg.
Zacht opent ze de deur van zijn werkkamer. Minggus zit in de brede armstoel en Janaila zit opgekruld op zijn schoot. Hij heeft zijn armen om haar heen geslagen en ze slapen. Janaila klein en teer met weer iets meer kleur op haar wangen. Minggus net zo klein, maar toch sterk. Voor Janaila. De vrouw waar hij niet zonder kan.

Ook in de ochtend komt hij niet bij haar en teleurstelling maakt plaats voor daadkracht. Ze volgt haar gebruikelijke routine, het is een gewoonte geworden. Onder de douche scheert en reinigt ze zichzelf. Terug in haar kamer wacht ze weer, voor een kort moment. Ze zal de gewenning los moeten laten. Langzaam kleedt ze zich aan. Haar eigen kleding, niet de kleding die ze in huis moet dragen. Ze maakt haar bed op en hangt de handdoek uit. Beneden hoort ze hem praten in zijn werkkamer. Ze blijft staan en luistert. Zijn stem is geagiteerd. Ze weet al lang dat hij ook zo kan zijn.
‘Je regelt het Seth. Je bent me wel iets verschuldigd. Ik geloof niet dat ik je daaraan hoef te herinneren.’
‘Waarom denk je dat ik daar iets over te zeggen heb?’
‘Regel het. Je weet wat ik verwacht.’
De ander in de kamer mompelt. Zijn woorden gaan tegen die van Minggus in en Minggus reageert erop.

Zoë luistert niet verder. De woorden zijn niet voor haar bestemt. Ze vindt Janaila in de keuken. Ze draagt een kleurige doek om haar hoofd. Zoë is blij dat haar ongemak en de misselijkheid weer even zijn verdwenen.
‘Hoe voel je je?’
‘Goed. Beter.’
Nog vijf behandelingen, dan weer een scan en een echo. Pas dan zullen ze weten of de behandeling het ongemak waard is geweest.
‘Hoe voel jij je?’
Zoë pakt koffie en negeert de lichte frons op het gezicht van Janaila. Ze moet wachten tot Minggus klaar is. Hij bepaalt wanneer er gegeten wordt. Ze lacht vermoeid.
‘Ik voel me een beetje verlaten …’
‘Was het niet leuk gisteren?’
‘Niet echt.’
De voordeur valt dicht en Minggus voegt zich bij hen. Er hangt een lichte waas van arrogantie om hem heen. Het is de uitstraling van een man die gewend is dat mensen doen wat hij zegt.
Zijn ogen gaan naar Janaila. ‘Het is geregeld.’
Wat er is geregeld, hoort ze niet. Ze wordt buitengesloten. Verlaten. Ze is geen onderdeel meer van het geheel.
Hij geeft Janaila een zoen en dan Zoë. Hij kijkt naar de gevulde koffiebeker in haar hand.
‘Waarom wacht je niet Zoë?’
‘Ik heb genoeg gewacht, ik wil naar huis.’
‘Dat is geen antwoord op mijn vraag.’
Ze herhaalt de woorden. Ze wil hier niet zijn. Het speelt al langer. Minggus is de as waar haar wereld omheen draait. Ze wil haar eigen as weer worden.
‘We gaan vanavond naar jouw huis.’
‘Ik wil alleen zijn. Ik heb dat nodig.’
‘Je bent hier nodig.’
Het zijn de verkeerde woorden en ze bevestigen haar gevoel. Minggus heeft haar niet nodig. Ze is een oppas. Een babysitter voor Janaila, omdat hij niet altijd bij haar kan zijn. Omdat hij zijn zaken heeft.
‘Ik wil naar huis.’
Zijn ogen worden donker omdat ze weer tegen hem ingaat en haar wil hoger stelt dan die van hem. Ze voelt haar daadkracht langzaam uit zich wegvloeien en krijgt dan hulp uit een hoek die ze niet verwacht.
‘Ze is hier al weken Meester.’
‘En zo hoort het, jullie zijn zusters. Zusters zorgen voor elkaar.’
‘Zusters geven elkaar de ruimte. U zou haar ook de ruimte moeten geven. Een leerling heeft ruimte nodig.’
Minggus schudt zijn hoofd. ‘Een goede leerling zou geen ruimte nodig hebben.’
Zijn woorden snijden fel door haar heen en Zoë krimpt een beetje in elkaar. Ze weet dat hij ook hard en gemeen kan zijn. Ze heeft het nooit eerder zelf gevoeld.
‘Meester!’
Er ligt gewicht en tegelijk teleurstelling in de manier waarop Janaila zijn naam uitspreekt. Zoë ziet het wankele evenwicht in zijn ogen.  Hij pakt haar pols
‘Het spijt me Zoë, dat had ik niet mogen zeggen.’
Zoë knikt. Hij mag het wel zeggen. Hij mag alles zeggen. Het is zijn rol en ze heeft hem die rol gegeven. Hij hoeft zijn excuses niet aan te bieden. Het is de schaal die naar de verkeerde kant uitslaat.
‘We ontbijten en dan breng ik je naar huis.’
‘Ik wil nu naar huis.’
‘Eerst eten, dan breng ik je weg en ik haal je morgenavond weer op.’

Zoë wacht. Het is de rol die hij haar gegeven heeft. Ze wacht op zijn aandacht en zijn woorden. Ze eet niet en drinkt koffie. Minggus maakt er geen opmerking over. De maaltijd verloopt in stilte en de spanning is voelbaar. Janaila legt even troostend haar hand op haar arm. Zoë voelt een irritatie die ze niet wil voelen. Janaila kan er niets aan doen. Het is Minggus. Hij weet dat hij haar zal moeten laten gaan, nog eerder dan ze er klaar voor is. Hij kan de rol die ze hem gegeven heeft niet meer aan. Externe factoren maken dat hij zijn aandacht niet meer kan verdelen. Haar leerproces staat stil en stilstand is achteruitgang. Zoë wil niet achteruit. Ze wil vooruit.

Show Buttons
Hide Buttons