Vrij ondergeschikt

Zijn berichten vragen hoe het met haar gaat en wat ze aan het doen is. Ze zegt dat het goed gaat, dat ze wat met Valerie afspreekt. Ze gaat lunchen. Ze heeft haar vriendin verwaarloosd.

‘Laat me weten waar.’

Ze laat hem weten waar en brengt tijd door met Valerie. Er hangt een ongemakkelijke spanning. Valerie verwijt haar dat ze zo lang niets heeft laten horen. De sfeer is veranderd en de vriendschap is verdwenen. Valerie was de persoon waar ze alles mee deelde en die ze alles vertelde. Ze weet niet meer wat ze haar moet vertellen. Valerie zou haar rol tussen Minggus en Janaila niet begrijpen. Ze zou niet begrijpen dat het om gelijkwaardigheid draait en ook om liefde. Ze zou er helemaal niets van begrijpen.

Ondanks haar lege gevoel verlangt ze nog steeds te zijn waar Minggus is. Ze wacht nog steeds, maar het is een andere vorm van wachten. Ze wacht terwijl ze haar eigen dingen doet. Terwijl ze de woorden van Valerie over zich heen laat gaan, maakt ze in haar hoofd een lijstje van wat ze wil doen, wat ze moet doen.
Valerie vertelt over een groot pand op het industrieterrein.
‘Er moet veel aan gebeuren, maar ik, Raymond en ik zijn er mee bezig … als je wilt …’
Ze mag het huren, tot Raymond en Valerie hun plannen rond hebben.
‘We beginnen een club Zoë, een nachtclub. Een plek waar wij, waar mensen uit kunnen gaan. Dansen tot diep in de nacht, zoals we vroeger konden doen …’
Hangen aan de bar, giechelen en kletsen, dat is wat ze vroeger deden. Valerie was verliefd op Raymond en vertelde haar alles wat ze met hem deed. Ieder afspraakje, ieder detail. Geen verkering voor Zoë. Ze had er geen behoefte aan.
‘Ik kan het je laten zien?’
Het is een geschikt pand voor een club, maar. ongeschikt voor haar winkel, zelfs als het tijdelijk is. Ze wil niet tijdelijk en ook niet zo ver weg. Het zal haar klanten kosten, veel klanten.
‘Je bent je klanten nu ook kwijt.’
Valerie is gepikeerd omdat ze niet mee gaat in haar plannen. Ze staat ver van haar af en het heeft niets met de brand te maken. Ze heeft het haar vergeven, het had haar ook kunnen gebeuren. Toch is de vriendschap veranderd. Het is geen echte vriendschap meer. Valerie wil haar niet echt helpen. Ze helpt uit eigenbelang. Er ligt een hoge hypotheek op het pand en ze heeft nog geen cent verdiend.
‘De huur is te hoog Valerie, bijna het dubbele.’
‘De ruimte is ook drie keer zo groot.’
‘Ik kan dat niet betalen …’
‘Dan niet.’
Woorden blijven onuitgesproken in de lucht hangen. Valerie vraagt geen een keer hoe het met haar gaat, ze is alleen maar bezig met haar eigen plannen. Zoë vindt het niet erg, ze heeft geen behoefte om Valerie te vertellen wat haar bezig houdt. Ze zijn uit elkaar groeit en ze hebben daar beiden geen schuld aan. Soms loopt het zoals het loopt.
‘Het is een mooi pand Valerie en ik weet zeker dat het ook een mooie club wordt. Als het zo ver is, kom ik graag een keer kijken.’
Bij de auto’s vraagt ze haar naar Raymond, de kinderen en haar ouders.  Het zijn de beleefde vragen die mensen stellen als ze elkaar een tijd niet gezien hebben. Koetjes en kalfjes, bij gebrek aan andere gespreksstof.

Als ze thuiskomt wacht Minggus op haar en hij claimt meteen de ruimte om haar heen. Ze vindt het prettig.
‘Hoe voel je je?’
‘Goed, kom je me halen?’
‘Morgenavond pas, dat hebben we afgesproken. Ik wilde je even zien.’
‘Dat is fijn.’
Ze vertelt hem over de lunch met Valerie, haar aanbod en hoe ze haar winkel mist. Hoe ze het mist daar mee bezig te zijn. Hoe ze zich daarin kon verliezen en hoe ze daarvan kon genieten.
‘Ik verlies me alleen nog maar in mezelf en jou.’
‘Wil je dat ik je loslaat?’
‘Nee, nog niet.’
‘Ooit wel.’
‘We weten allebei dat het onvermijdelijk is, maar als je me nu loslaat …’
‘… dan ben je stuurloos.’
Ze vindt het fijn dat hij het weet en dat hij het toch snapt, ondanks zijn woorden van vanmorgen. Ze heeft hem nog steeds nodig.
Hij drinkt een glas wijn en geeft haar kleine slokjes. Zijn mond op die van haar en de warme wijn die hij haar langzaam geeft. Ze knielt naast hem en legt haar hoofd in zijn schoot. Onderschikt, zonder dat ze minder is. Niet minder dan hij is, wel een leerling. Anders dan een slavin.
‘Hoe voelt Janaila zich?’
Hij legt een vinger op haar lippen.
‘Janaila voelt zich goed en ze is niet hier.’
Ze is er wel, zonder dat ze er is. Ze is onderdeel van Minggus en daardoor ook onderdeel van haar.
‘Wil je me laten voelen?’
Hij zet het glas op tafel en legt zijn handen rond haar hals. Zijn vingers drukken stevig en houden de lucht tegen. Hij legt zijn mond op haar mond en ze wordt licht in haar hoofd. Zijn vingers laten los, geven genoeg ruimte om weer adem te halen en drukken haar keel weer dicht. Lucht en gebrek aan lucht. Zwevend zonder dat hij haar loslaat en zijn woorden in haar oor.
‘Ooit laat ik je los, maar alleen als jij dat wilt. Tot die tijd ben je van mij, nog steeds.’
Ze knikt en zweeft verder weg op zijn woorden. Tot die tijd en zolang zij het wil.

‘Ik heb meer ruimte nodig …’
‘Ik weet het. Janaila kent jou, misschien wel beter dan ik je ken.’
Nu is Janaila er toch en Janaila heeft hem verteld dat Zoë ruimte nodig heeft.
‘Hoe kan zij …’
‘Janaila is streng voor me. Ze zegt zonder omwegen wanneer ze vindt dat ik het verkeerd aanpak. Jij hebt meer ruimte nodig om te ontdekken hoe je verder wilt en ze heeft het goed gezien. Ik kan die keuze niet voor jou maken, maar ik kan je wel de ruimte geven om zelf op te zoek te gaan.’
‘Op zoek naar?’
‘Het vervolg van jouw verhaal.’
‘Mijn verhaal. Een Meester?’
‘De leerling kiest haar Meester. Jij weet dat, ik weet dat, maar Janaila weet het beter. Ik moet je de ruimte geven.’
‘Maar hoe?’
‘Je bent nieuwsgierig en woorden van anderen maken dat je nog meer wilt weten. De man die met je wilde dansen, op het feest, het is maar een voorbeeld. Je doet het niet, omdat je denkt dat ik het niet goed vind.’
‘Ik hoef niet …’
‘Jawel, je moet weten dat je de ruimte hebt om op onderzoek uit te gaan, binnen de grenzen die ik je geef. Je krijgt die ruimte, maar je bent nog steeds van mij. Je vertelt me alles en deelt alles. Wat jij meemaakt, wie je ontmoet, wat je doet, zegt en denkt. Je bent van mij, tot je een keuze maakt.’

Hij neemt haar zuurstof weg en geeft het met een heftige stoot weer aan haar terug. De prettige loomheid die ze zo goed kent, valt over haar heen. Ze weet dat ze stilstaat in de ontwikkeling die hij haar heeft gegeven, toch wil ze niet dat hij haar loslaat. Ze houdt van hem. Het is dezelfde liefde die ze in zijn ogen ziet als hij naar Janaila kijkt.

Hij blijft bij haar tot ze weer helder is, deelt een tweede glas wijn en zoent haar bij de deur.
‘Ik kom je morgenavond halen cara, geniet van je dag en maak plannen. Ik zal je helpen, als je dat wilt. Ga slapen, je dromen zullen diep zijn.’
Haar dromen zijn diep en de stem van Minggus achtervolgd haar. Warm en liefdevol. Er verschijnt een ander gezicht. Groene ogen proberen bezit van haar nemen. Ze moet Minggus vertellen van die ogen. Hij zal het willen weten.

Het huis is stil als ze binnenkomt en haar schoenen verwisseld voor de muiltjes. Ze wil doorlopen naar haar kamer en zich omkleden zoals ze altijd doet. Minggus houdt haar tegen.
‘Nog niet Cara, kom …’
Janaila staat in de woonkamer. Ze heeft haar jas aan en glimlacht oprecht blij haar weer te zien. Zoë omhelst haar. Janaila is haar zuster, of Minggus haar loslaat of niet. Ze ziet er goed uit, de glans is weer terug in haar ogen. Ze kijkt Minggus vragend aan.
‘We gaan weg?’
‘Wij gaan weg, even naar mijn moeder, maar we komen terug.’
‘En ik?’
‘Jij hebt een afspraak.’
‘Met wie?’
‘In mijn werkkamer.’
Hij neemt haar gezicht in zijn handen.
‘Denk aan wat ik gisteren zei Cara. Je vertelt me alles. Tot straks.’
‘Maar wie …’
‘Tot straks Zoë.’

De gedachten razen door haar hoofd. Heeft hij contact opgenomen met Valerie, om wat ze hem vertelde? Valerie past niet meer bij haar. Ze past niet bij het pad wat ze nu loopt en verder wil volgen. Het pad van Valerie gaat een hele andere kant op. Valerie hoort niet in deze wereld. Minggus moet dat ook weten.
Ze opent de deur van de werkkamer en zet zich schrap voor nog meer woorden vol verwijten. De kamer is leeg, er staan twee glazen wijn op het tafeltje naast de stoel van Minggus. Uit de kleine muziekinstallatie komen klanken die ze herkent. De deur naar de tuin staat open.
‘Valerie …?’
‘Dag Zoë, wat fijn dat je bij me terug bent gekomen.’
Ze herkent zijn stem meteen, zacht en donker. Zijn groene ogen zijn haar helemaal tot hier gevolgd. Zijn glimlach spreekt een scala aan beloften uit. Hij pakt haar hand en er verschijnen beelden waar van ze niet weet waar ze vandaan komen. Het is alsof hij in haar hoofd zit.

‘Ik heb nog geen kans gehad me voor te stellen Zoë. Ik ben Javier en Ik zou nu graag met je dansen.’

Show Buttons
Hide Buttons