Chaos van gedachten

Met haar handen op het stuur blijft ze zitten en plotseling komen dan toch de tranen. Ze weet niet goed waarom. Dit is wat ze wil. Een rol in het leven van Minggus en Janaila, een grote rol. Net zo groot als de rol die ze hen in haar leven geeft. Er is geen andere manier. Minggus heeft haar bewust afhankelijk van hem gemaakt, als die band nu losgesneden wordt … Ze zou stuurloos zijn en eraan kapot gaan. Echt kapot en Minggus weet dat ook. Hij moet dat weten. Hij is verantwoordelijk voor haar en dat blijft hij, nu en misschien wel altijd. Omdat er geen andere manier is.

Ze veegt haar tranen weg, start de auto en zwaait naar Minggus, die nog steeds in de deuropening staat. Trouw zijn aan dat wat bij je hoort. Hoe dan ook en onder alle omstandigheden.

Toch blijven haar tranen stromen en ze maken haar boos. Driftig slaat ze op het stuur en hardop praat ze tegen zichzelf. Woorden die het beklemmende gevoel dat over haar heen valt weg moeten nemen.
‘Ik stel me aan. Het is geen afscheid. Hij weet dat ik hem nodig heb en hij heeft mij ook nodig. Hij weet dat …’

Tegen de tijd dat ze thuis haar jas aan de kapstok hangt heeft ze het gevoel alsof er een knellende band rond haar borst zit die steeds strakker wordt aangetrokken. Ze ziet het gezicht van Janaila, vol liefde en vertrouwen en ook het gezicht van Minggus. Warm, geduldig en begripvol. Ze snuift een beetje schamper en gooit boos haar tas in de hoek van de bank. Met grote stappen loopt ze door de woonkamer en zijn woorden malen weer door haar hoofd.

‘Mijn plek is bij Janaila. Zij heeft mij nodig, zij heeft mij echt nodig.’

Als bevroren blijft ze staan.

‘En ik dan? Heb ik jou niet echt nodig? Is dat wat jij denkt dat het is. Niet echt, een spel, omdat het nieuw en spannend was … is dat wat je denkt!’

Huilend laat ze zich in de brede armstoel vallen. Ze slaat haar armen rond haar schouders en wiegt zachtjes heen en weer.

Wat als het maar woorden zijn. Woorden, bedoelt om de pijn te verzachten, maar niet gemeend. Wat als hij haar wel loslaat, omdat hij denkt dat ze hem niet nodig heeft.

Ze herkent zichzelf niet meer. Haar gedachten niet en haar emoties niet. Rauw en buiten proporties nemen ze bezit van haar en het lukt haar niet er afstand van te nemen. Ze overspoelen haar, maken haar wanhopig en dan weer berustend. Het is alsof ze op een grote schommel zit en van de ene kant naar de andere wordt geslingerd, als in een droom en alles wat ze voelt lijkt zo echt, zo definitief. Complete chaos. De breuk in verlichting en gelukkig zijn.

Ze weet niet hoe lang ze daar zit als het geluid van haar mobiel haar langzaam terug brengt bij zichzelf en in de realiteit. Haar ogen branden en haar gezicht gloeit. De huid van haar wangen staat strak door opgedroogde tranen. Het geluid van haar telefoon stopt heel even en zet weer aan. Zoë haalt diep adem en legt haar handen tegen haar gezicht. Weer stopt de melodie van haar telefoon. Heel even blijft het stil. Een kort moment waarin ze alleen haar onrustige ademhaling en het tikken van de klok hoort. Ze staat gejaagd op als de melodie van haar mobiel weer begint te spelen.
‘Ja, ja, rustig,’ en dan ‘met Zoë …’

‘Ben je thuis?’
Zodra ze de stem van Minggus hoort valt alles weer op zijn plek. Haar onrust verdwijnt en de strakke, knellende band rond haar borst schiet los.
‘Ja, ik ben thuis.’
‘Hoe voel je je?’
‘Nu weer goed.’
Het blijft even stil. Ze hoort zijn rustige ademhaling en duwt de telefoon stevig tegen haar oor.
‘Heb je Javier gesproken?’
‘Nog niet.’
‘Bel hem en laat me weten hoe dat gaat, vandaag nog, duidelijk? Geen afspraken waar ik niet vanaf weet.’
Zoë haalt diep adem. ‘Natuurlijk niet. Ik bel hem straks.’
Minggus geeft geen antwoord, maar ze hoort hem, alles van hem en daarmee ziet ze hem ook voor zich. Aan het bureau in zijn werkkamer, zijn vrije hand losjes langs de leuning van de bureaustoel. Een gesprek zonder woorden, alsof hij bij haar is en ook alles van haar kan zien, zoals hij altijd alles ziet.

‘Minggus?’
‘Ja Zoë.’
‘Ik wil niet vrij zijn …’
Hij lacht zacht. ‘Je ben ook niet vrij, maak je daar geen zorgen over. Bel Javier en wacht niet te lang … je hebt hem ook nodig.’
‘Ik heb hem niet …’
‘Bel hem, ik spreek je later.’

Ze kijkt naar het donkere scherm van haar telefoon en het is of de band rond haar borst weer aangetrokken wordt. Voor een kort moment staat ze toe dat donkere gedachten haar hoofd weer in sluipen, maar dan schudt ze diezelfde gedachten resoluut van zich af.

Ze belt Javier niet. Nog niet en zodra de gedachte door haar hoofd schiet, bedenkt ze wel weer een klusje dat echt niet kan wachten. Er ligt nog was, haar bed moet verschoond en haar administratie moet ook nodig bijgewerkt worden. Ze wil hem niet bellen. Het moment is voorbij en ze voelt alleen nog maar weerzin als ze hem voor zich probeert te halen. Hij denkt dat ze te koop is, maar hij heeft haar niets te bieden. Ze heeft genoeg aan Minggus, ook als hij haar nu niet kan geven wat ze nodig heeft. Het geeft niet, ze heeft hem toch nodig. Javier heeft ze niet nodig, niet …

Het schelle geluid van de voordeurbel haalt haar uit haar mijmeringen en haar hart stuitert in haar borst als ze ziet hoe laat het al is. In de chaos van haar gedachten is de middag overgegaan in de avond en ze heeft er niets van gemerkt. Minggus wacht op haar telefoontje. Ze moet Javier bellen, ze heeft het beloofd. Ze heeft geen tijd voor bezoek.

Onwillig trekt ze deur open en ze staat oog in oog met Javier. Haar eerdere weerzin is op slag verdwenen als ze zijn glimlach ziet en hij zelfverzekerd naar haar toe buigt om haar een zoen op haar wang te geven.
‘Dag Zoë, vond je de jurk niet mooi?’

Show Buttons
Hide Buttons