De kracht van overtuiging

Javier kijkt met stille verbazing naar Zoë. Hij weet niet waarom, maar ze lijkt lichter, minder zwaar op de hand en zelfs ondeugender. Het begon al toen hij haar op haalde. Hij zette zich schrap voor een zoveelste discussie, hetzelfde riedeltje als altijd. Minggus dit, Minggus dat en vooral ook;

‘dat ik met je je meega zegt niet dat er ook maar iets veranderd is …’

In plaats daarvan stond ze al klaar om te vertrekken, vol ongeduld en met een nieuwsgierige opwinding in haar ogen die hij nog niet eerder bij haar heeft gezien. Toen hij haar vroeg of ze de latex jurk ook had ingepakt reageerde ze zelfs een beetje verontwaardigd.

‘Natuurlijk. Dat heb je toch gezegd?’

Zonder verder iets te zeggen gaf ze hem haar koffer en pakte ze de grote weekendtas. Hij keek haar aan. ‘Wil je niet weten waar we naar toe gaan?’
Dat was het moment dat hij de ondeugende blik in haar ogen zag. Ze liep voor hem uit naar buiten, sloot de deur en draaide zich naar hem om. ‘Ik laat me verrassen.’

Nu zit hij naast haar. Ze bladert door een tijdschrift en heeft sinds het vliegtuig een half uur geleden is opgestegen, niets meer gezegd. Hij kijkt naar haar en zoekt naar iets wat haar verandering kan verklaren. Ze slaat een bladzijde om en glimlacht. ‘Wil je iets zeggen Javier?’
Hij voelt zich betrapt en zelfs onzeker. Het is een gevoel dat hij niet kent. Haar stellige afwijzing sterkte hem in de houding die hij tegenover haar aannam. Hij krijgt altijd zijn zin, zonder uitzonderingen. Nu lijkt het alsof hij zijn zin heeft gekregen, maar hij weet het niet zeker.

Zoë bijt op haar lip. Ze ziet zijn onzekerheid en twijfel en ze moet toegeven dat ze het erg prettig vindt te zien dat hij ook menselijke emoties heeft en niet alleen maar die arrogante man is die hij haar tot nu toe heeft getoond. Als ze eerlijk is dan vindt ze de rol die ze zichzelf heeft aangemeten prettig. Geen vragen en geen strijd. Ze kiest voor het pad dat Javier haar kan laten zien. De pijn is er toch wel, maar ze gaat eraan kapot als ze daar aan toegeeft. Minggus wil haar niet meer. Hij heeft gekozen en koos niet voor haar. In haar borst knijpt het samen en ze draait aan de armband die Janaila haar gaf. Ze twijfelt nu of ze hem wel aan had moeten nemen. Is dat niet hetzelfde als beloven dat ze op Minggus zal wachten? Wachten tot Janaila er niet meer is en hij haar wel nodig heeft. Wil ze daar op wachten? Is de liefde die ze voor hem voelt echt zo sterk, of denkt ze dat alleen maar? Laat hij haar nu niet juist zien dat hij haar onderdanigheid niet waard is? Daar draait het toch om? Het is wat hij haar geleerd heeft. Hij kan het niet claimen, zij geeft het hem en door die gift te accepteren, heeft hij zijn verantwoordelijkheid als Meester genomen. Het waren zijn eigen woorden.
Woorden die uiteindelijk nooit gevolgd werden door daden. Zodra het leven hem teveel werd, liet hij zijn verantwoordelijkheid vallen. Zoë kan er niets aan doen, maar zo ziet ze het. Hij is haar niet waard en niemand kan haar dwingen weer bij hem terug te komen. Ook Janaila niet.

Ze doet het tijdschrift dicht en kijkt Javier uitdagend aan, ‘Vijf dagen toch? Dat is een korte vakantie. Ik hoop dat je niet weer van plan bent me om de haverklap achter te laten om je eigen pleziertjes na te jagen?’

Javier zucht diep. ‘Misschien dat je me eerst kunt vertellen wat er met je aan de hand is?’
Zoë haalt haar schouders op. ‘Er is niets. Wees blij dat ik eindelijk heb besloten mee te gaan in jouw belofte dat je me een hele bijzondere en spannende wereld kunt laten zien.’
Plotseling fel valt hij naar uit. ‘Maak dat de kat wijs Zoë. Nog geen drie weken geleden lag je jammerend onder me, smekend dat ik moest stoppen, terwijl je hele lichaam het tegenovergestelde schreeuwde en nu beweer je dat je daarin meegaat, dat je mij toestaat jou die wereld te laten zien!?’
Hij snuift verontwaardigd. ‘Denk je nou echt dat ik achterlijk ben?’
Zoë lacht zacht. ‘Mensen veranderen en …’
‘Niet zo snel. Veranderingen kosten tijd, zeker voor iemand zoals jij.’
‘Misschien ken je me minder goed dan je denkt.’

Hij heeft nooit beweerd dat hij haar kent, juist daarom is hij nieuwsgierig naar haar en heeft hij een heet verlangen haar te bezitten. Net als die ene keer wil hij dat ze hem smeekt. Niet om te stoppen, maar om door te gaan en hij wil de man die zich haar Meester noemt, aankijken en hem op die manier vertellen dat Zoë lang niet zo loyaal en onderdanig is als ze zich voordoet.

Peinzend kijkt hij haar aan. ‘En Minggus, jouw Meester?’

Zijn naam veroorzaakt een hete schok in haar lichaam die haar voor een kort moment verlamt. Ze haalt diep adem en schudt haar hoofd. ‘Wat is er met hem?’
‘Hij vindt het goed? Dat is toch de afspraak? Je mag met mij mee, mits jij je aan de regels houdt en verantwoording aflegt. Hij is het eens met de verandering in jou?’
De blik in haar ogen is kil. ‘Wat ik met Minggus afspreek gaat jou niets aan.’

Javier wordt geraakt door haar plotselinge koelte en weet ineens dat het voorbij is. Zoë heeft een keus gemaakt, al dan niet gedwongen en ze wil hem laten geloven dat ze voor hem kiest.

Hij pakt haar pols. Ze trekt zich niet los, zoals hij van haar gewend is en hij sluit zijn vingers er stevig omheen. ‘Ik geloof je niet.’
Onbewogen kijkt ze voor zich uit. ‘Wat jij wilt …’

Hij trekt haar hand naar zich toe en neemt een voor een haar vingers in zijn mond. Ze draait zich naar hem toe, de uitdrukking op haar gezicht is moeilijk te peilen. Javier zuigt op haar middelvinger en laat zijn tong langs de kootjes glijden. Nog steeds kan hij niets van haar gezicht aflezen. Hij laat haar los en werpt een blik op de stoelen achter hen, voor hij zich naar haar toe buigt.
‘Bewijs het.’
‘Bewijs wat?’
‘Bewijs dat je bent veranderd en dat je me niet in de maling neemt. Vinger jezelf en kom klaar.’

Ze knippert zelfs niet met haar ogen en terwijl ze hem blijft aankijken stroopt ze haar rok op tot hij het doorschijnende kant van haar slipje kan zien. Ze gaat met haar tong langs haar lippen en zonder zijn blik los te laten, laat ze haar hand in het broekje glijden. Javier is wel wat gewend, maar zijn lichaam reageert op de beweging en hij gaat iets verzitten om het bloed tussen zijn benen de ruimte te geven. Zonder gene beweegt ze haar vingers, eerst voorzichtig, maar hij ziet dat ze haar opening heeft gevonden en haar vingers steeds een beetje dieper naar binnen duwt. Haar ademhaling gaat sneller en ze duwt haar heupen ritmisch omhoog. Javier legt zijn hand op zijn kruis en kneedt in hetzelfde ritme zijn groeiende lul terwijl hij fluistert dat hij het wil horen, dat hij wil dat de andere passagiers het ook horen.

Zoë slikt en merkt dat haar gezicht begint te gloeien. Alle gedachten aan Minggus probeert ze tevergeefs weg te duwen. Hij zou dit nooit van haar vragen, niet in het openbaar. Of wel? Hoe goed kent ze hem eigenlijk? En hoe goed kent ze zichzelf eigenlijk? Dit windt haar op, meer dan ze zichzelf toe wil geven en de opwinding is groter dan de schaamte als een hese, maar duidelijke kreun aan haar lippen ontsnapt. Ze voelt het vocht rond haar vingers en de spanning in haar buik hunkert naar een uitweg, naar een zoete verlossing. De groene ogen van Javier maken plaats voor de donkere van Minggus en in gedachten fluistert ze dat ze dit voor hem doet. Dat dit nog steeds voor hem is, ook als hij er niet is om het te claimen. Ze hoort de stem van Javier, maar ook die moet wijken voor die van die ander.

‘Geef Cara … Geef aan de enige die het van jou mag vragen.’

Haar ademhaling gaat snel en tranen branden achter haar gesloten ogen, terwijl het hete, bonzende gevoel langzaam wegebt. Javier buigt zich weer naar haar toe en duwt dwingend zijn mond op haar lippen. Ze weerstaat de neiging hem van zich af te duwen en ontvangt zijn tong. Hij laat haar los en grijnst. ‘Je hebt me nog niet helemaal overtuigd.’
Zoë zucht diep. ‘Dat is jouw probleem.’
Ze wil haar rok weer over haar benen trekken. Javier houdt haar tegen. ‘Nee, nog één ding. Ik wil graag je slipje.’
‘Waarom?’
‘Daarom. En vanaf nu wil ik dat je al je slipjes voor mij draagt en ze voor me bewaart.’

De hitte in zijn lichaam wordt groter als ze iets in haar stoel omhoog wipt en langzaam het kleine stukje stof langs haar billen en benen naar beneden trekt. Tussen haar vingers laat ze het voor zijn gezicht heen en weer bungelen. Met een grijns pakt hij het van haar aan.
‘Misschien dat je me nu hebt overtuigd.’

*

Na een anderhalf uur durende vlucht naar Glasgow en een ruim drie uur durende treinreis naar Oban, loopt Zoë met haar weekendtas naast Javier en eindelijk vraagt ze hem waarom ze hier zijn. Javier lacht en gebaart om zich heen. ‘Ik kom hier vandaan, mijn lieve Zoë en over een klein half uurtje kan ik je eindelijk het huis waar ik ben opgegroeid laten zien.’

Ze staan op de kleine parkeerplaats en Zoë draait zich om. Het gebouw naast het station is redelijk nieuw, maar de overige gebouwen en huizen zijn oud. Statig, met kleine ramen en in sobere kleuren. Grijs, bruin en wit. Ze lijken kriskras neergegooid in de bergen om hen heen. Ze zucht.
‘Lijkt me een magische plek om op te groeien. Het is hier prachtig.’
Javier knikt en steekt zijn hand op als een donkerblauwe Mercedes de parkeerplaats op komt rijden.
‘Daar is onze taxi, en wacht maar tot je het huis ziet. Dat is pas een magische plek.’

Een chauffeur in strak pak begroet Javier amicaal en steekt haar vriendelijk zijn hand toe. Zoë stapt in de auto en luistert een beetje afgunstig naar de woorden van Javier. Hij vertelt haar dat Oban de onofficiële hoofdstad van de Westerse Hooglanden is en dat hij is opgegroeid in een waar jongensparadijs.
‘Je hebt hier alles. Het landgoed van mijn ouders ligt aan de ene kant aan de zee en wordt aan de andere kant omringd door bergen en woud. Zoals je ziet zijn de meeste gebouwen en woningen zoveel mogelijk in de oude staat gehouden. Het landgoed ook, al is het van binnen voorzien van alle moderne gemakken en personeel dat ons op onze wenken zal bedienen.’
Zoë kijkt hem aan. ‘Dat wist ik niet, ik bedoel, dat je hier vandaan komt en op een landgoed hebt gewoond.’
Hij schiet in de lach. ‘Er is nog heel veel dat je niet van mij weet, maar misschien dat we elkaar de komende dagen wat beter leren kennen. Daarnaast, je hebt het me ook nooit gevraagd, of wel?’

Ze schudt haar hoofd en kijkt naar het voorbijglijdende landgoed. Ze rijden over smalle, kronkelige wegen langs bos in alle kleurschakeringen, van donkergroen naar roestbruin. En wanneer de chauffeur en nog smallere weg opdraait houdt ze even haar adem in. Temidden van een enorm, glooiende stuk grasland ligt een lichtgrijs gebouw dat nog het meest wegheeft van een middeleeuws kasteel. Zoë giechelt. ‘Je bent een kasteelheer?’
Javier knikt. ‘De komende dagen ben ik alles wat jij wil dat ik ben, zolang jij alles bent wat ik wil. Kijk.’
Hij wijst en vanachter een heuvel verschijnt plotseling de zee. De zon werpt glinsterende vlekken over het water en Zoë steekt enthousiast haar hoofd uit het openstaande raam. Ze ruikt het bos gecombineerd met het zoute water en haalt diep adem voor ze hem weer aankijkt.
‘Je boft maar met zo’n jeugd. Zijn je ouders er ook?’

Plotseling is ze nog nieuwsgieriger naar hem geworden en dat vooral naar de jongen die hij was voor hij de man werd die hij nu is. Javier grinnikt. ‘Ik heb geen flauw idee waar mijn ouders zijn, we hebben het kasteel dus voor onszelf. Jij, ik en de magie van het landschap om ons heen. Oh en misschien een handvol gasten die later zullen arriveren. Denk je eens in wat voor spannende dingen wij hier kunnen beleven.’
‘Wat voor een gasten?’
‘Gewoon, gasten. Mensen die de stilte en afzondering van deze plek op prijs weten te stellen, net als jij en ik.’

Haar enthousiasme verdwijnt even achter een sluier van donkere gedachten. Niemand weet dat ze hier is. Ze heeft het niemand vertelt. Er is niemand om het te vertellen. Minggus kan het niet schelen en Janaila heeft wel iets belangrijkers aan haar hoofd, hoe goed ze het ook bedoeld. Als Zoë besluit hier te blijven, zal niemand zich afvragen waar ze gebleven is en niemand zal vragen of ze weer terugkomt.

Javier legt haar plotselinge somberheid verkeerd uit en slaat een arm rond haar schouders. ‘Maak je geen zorgen. Geen buitenissige feesten deze keer, enkel een select gezelschap bijzondere mensen.’
‘Mensen die ik ken?’
‘Misschien.’
‘En wat is er zo bijzonder aan dit selecte gezelschap?’
‘Dat merk je vanzelf. Jij bent in elk geval de komende dagen mijn bijzondere vriendinnetje, mijn partner in crime en misschien zelfs wel mijn stoute lustmeisje …’

Hij grinnikt en laat zijn arm rond haar schouders liggen, de toppen van zijn vingers raken soms de aanzet van haar borsten, maar Zoë doet of ze het niet merkt. Het kan haar niet schelen wat hij van haar vraagt. Ze heeft hem weten te overtuigen van de verandering die alleen maar aan de oppervlakte leeft. Diep van binnen is ze hetzelfde gebleven en diep van binnen leeft nog steeds haar hartverscheurende verdriet om de man die ze nooit dacht kwijt te zullen raken.

Show Buttons
Hide Buttons