Zomerregen

Donna speelt op de stenen trap. Ze kijkt uit over het grote park en de vijver. In de keuken zingt kokki en Baboe zit achter haar.
‘Kom nona. Ik zal je haren vlechten. Er komt bezoek vandaag. Je mama wil dat je er mooi uitziet.’
Donna kijkt naar Baboe. Het monster is weg, met haar vader mee.
Ze klimt de trap op, gaat op Baboe haar schoot zitten en legt haar hand tegen het donkere gezicht. Ze weet dat het monster soms terug komt. Als Donna in bed ligt. Ze hoort het aan de geluiden. Het gejammer van Baboe. Donna gaat niet meer kijken. Ze wil het monster niet zien. Het monster is er nooit als Baboe haar komt wekken. Het zit in bapa. Donna gaat hem uit de weg. Stilletjes beweegt ze met een grote boog om hem heen. Als hij haar ziet, dan ziet het monster haar ook. Dan weet het dat ze er is.
‘Nog een paar weken nona, dan ga je naar school, dan ben je groot.’
Donna wil niet naar school. Ze is gaan kijken met mama. Er zijn vreemde gezichten en kinderen die ze niet kent. En Baboe mag niet mee.
‘Ik ben er als je uit school komt. Ik ben er altijd, dat weet je toch?’
Donna leunt tegen haar aan, ze vindt het fijn als Baboe haar haren borstelt. Ze doet het zacht, met lange strijken van de borstel. Niet zoals mama doet. Snel, met korte halen. Als mama haar haren borstelt doet het altijd pijn.
Ze kijkt naar Baco, bapa’s hond. Hij speelt met een andere hond, ze snuffelen aan elkaar. Donna wijst, Baboe glimlacht. Baco likt de andere hond en probeert erop te klimmen. Baboe maakt een sissend geluid. Baco luistert niet. Baco luistert alleen naar bapa. Hij klimt op de andere hond en maakt gekke bewegingen. Donna lacht. De andere hond jankt.
‘Wat doen ze Baboe?’
‘Ze spelen nona.’
Donna kijkt naar de vreemde bewegingen van Baco. Ze ziet haar vader. Zijn blote lijf tegen dat van Baboe. Het leek op dansen, net als bij Baco. Honden dansen niet. Bapa zou het niet goed vinden als Baco danst. Hij zou de hond slaan. Met de riem. Net zoals hij Baboe had geslagen.
‘Ze spelen niet Baboe, dat is geen leuk spelletje.’
Baboe zucht. ‘Ze maken baby’s. Zo doen beesten dat. In de buik van de andere hond gaan nu kleine hondjes groeien.’
Stil blijft Donna naar de honden kijken. Baco speelt niet meer, hij staat stil en trilt een beetje. De andere hond trilt ook. Het duurt lang. Baboe vlecht haar haren en tilt Donna van haar schoot.
‘Kom, het gaat regenen. We gaan naar binnen nona.’
‘Krijg jij ook een baby Baboe?’
‘Wat? Nee, natuurlijk niet. Hoe kom je daar nou bij?’
Ze kijkt Donna wat bevreemd aan, lacht en trekt zachtjes aan haar vlechten.
‘Ik krijg geen baby. Ik heb jou toch? Jij bent mijn nona. Kom, naar binnen. De wolken zijn vlakbij en de zon schijnt nog. Je weet wat we dan zeggen.’
Ujang Panas. Donna rent al naar binnen. Soms verdwijnen kinderen als het regent en de zon schijnt. Ze worden dan meegenomen door Nene Luhu. Nene Luhu voert kinderen modder en wormen en zet vreemde liedjes in hun hoofd. Als je meegenomen wordt door Nene Luhu kom je misschien nooit meer terug.

‘Wat ben je stil? Vind je het niet mooi?’
Donna ziet zichzelf in de spiegel. Alex staat achter haar. Donna draait haar hoofd een beetje, haar haren zijn strak naar achteren gekamd. Op haar rug hangt een dikke vlecht
‘Mooi toch? Het geeft je iets Aziatisch.’
‘Ik ben Aziatisch.’
‘Echt? Dat heb je nooit vertelt?’
Donna haalt haar schouders op. ‘Er valt niet zo veel over te vertellen. Mijn moeder is Moluks, mijn vader Indisch, Italiaans, Nederlands. Ik ben een mengelmoes.’
‘Wonen ze in het buitenland?’
‘Ze zijn dood.’
‘Oh sorry, dat spijt me. Al lang?’
‘Al eeuwen, het spijt me, ik wil geen vlecht. Het past niet bij me.’
Donna haalt het elastiekje los en haar handen door haar haren. Ze kijkt op haar horloge.
‘Het past juist wel.’
‘Ik vind van niet, ik moet gaan. Ik ben al laat.’
‘Hoe laat ben je thuis?’
‘Weet ik niet. Ik laat het je weten. Moet jij niet werken?’
‘Jawel.’
‘Dan ben je ook laat.’
Donna kijkt Alex aan. Ze lacht en geeft haar een zoen.
‘Ik laat het je weten. Maak je niet druk. Ik ga er niet zomaar vandoor, maar ik moet echt gaan. Een uitvaart wacht niet.’
Alex mompelt. ‘Ze zijn toch dood.’
‘Morsdood, als het goed is. Tot vanavond. Ik bel!’
Alex kijkt naar de dichte deur. Ze vindt het niks dat ze haar de hele dag niet ziet. Op kantoor kon ze haar tenminste in de gaten houden. Ze wist waar ze een afspraak had, vaak ook met wie.
Ze zag de mensen met wie ze een praatje maakte. Collega’s, klanten. Nu weet ze niks, heeft ze alleen de verhalen van Donna en zelfs die maken haar jaloers. Ze kent Jacob en Albert niet, maar ze heeft op voorhand al een hekel aan ze. Zij zien Donna de hele dag en Donna is mooi. Mannen vinden haar mooi. Oudere mannen vooral. Alex weet dat het zo is. Ze ziet dat het zo is. Het zint haar niks.

Donna loopt naar haar auto, stapt in en kijkt met haar handen op het stuur voor zich uit. Al haar herinneringen. Het huis waar ze is opgegroeid en waar ze weinig warme herinneringen aan heeft. Wel veel angstige. De warme herinneringen zijn die aan Baboe, de meeste in elk geval.
Waarom moet ze de laatste tijd weer aan haar denken en waarom heeft ze haar nooit meer gezien.
Donna was haar meisje, ze heeft het gezegd. Ineens kan ze zich dat weer glashelder voor de geest halen. Ze was pas vier. Hoe kan dat?
Baboe ging weg toen Donna zes was. Vanaf dat moment was het huis kil en hard. Haar vader, moeder, en mevrouw Tan.
Heeft haar vader al die tijd …? Waren hij en Baboe …? Waarom moest ze weg?
Ze schudt haar hoofd. Misschien kwam haar moeder erachter en stuurde haar vader Baboe daarom weg.
Waarom is ze nooit terug gekomen? Ze heeft haar in de steek gelaten? Ze wist hoe erg haar vader was.
Waarom heeft ze zelf nooit uitgezocht wat er van Baboe is geworden. Waarom zijn haar herinneringen de laatste tijd zo sterk?
Ze start de auto, nu moet ze nog opschieten. Ze moet niet vergeten Jacob te vragen waar hij haar moeder van kent. Hij heeft het haar nog steeds niet vertelt. Als ze weg rijdt begint het zachtjes te regenen. Kille regen. Geen zomerregen.
Ujang Panas, Nene Luhu. Waarom komt dat verhaal nu pas terug? Nene Luha heeft geen gezicht. Ze heeft nooit een gezicht gehad. Het was een spookverhaal, bedoeld om haar bang te maken. Dat weet ze nu. Waarom heeft Nene Luhu ineens een gezicht? Een gezicht dat ze niet kan plaatsen.

Haar werk leidt haar af van haar gedachten en haar herinneringen. Het neemt haar in beslag zoals het kon doen toen ze voor het eerst kennis maakte met fotograferen en toen ze ontdekte dat ze er gevoel voor had. Ze maakt foto’s van bloemen en de kransen op de kist, de kist zelf. Ze maakt vooral foto’s van de gezichten van de mensen rond de kist.
Als mensen verdriet hebben vervagen alle maskers. Soms verdwijnen ze niet helemaal, soms ziet Donna door het masker. Ze vindt het een uitdaging om juist die gezichten te vangen in haar lens.
De pijn die erachter ligt. Pijn die soms helemaal geen pijn is. Dan ziet ze opluchting, omdat het voorbij is. Ze ziet ook ongeloof. Het kan niet voorbij zijn. Heel soms ziet ze niets. Geen pijn, geen opluchting, geen verdriet. Het zijn die mensen die ze opzoekt en waar ze naderhand een praatje mee maakt. Waar kennen ze de overledene van, hoe lang al. Vaak zijn het vage bekenden. Plichtgevoel bracht ze naar de uitvaart. Nog een laatste groet. Een veelgehoord antwoord.
Mensen die met een lege blik en emotieloos naar de kist hadden gekeken en haar vertelden dat hij haar vader was, zijn zus, mijn man. Aan die mensen vroeg ze meer. Ze wilde weten wat er achter die blik lag. Of ze het zou herkennen. Of de leegte minder leeg was dan ze dacht.

Show Buttons
Hide Buttons