Loslaten

Zoë heeft geen lust om zich te mengen en praatjes aan te knopen met mensen die ze niet kent en niet wil leren kennen. Ieder ziet er op zijn of haar manier hip en soms zelfs extreem uitgedost uit. Veel glitter, dikke lagen make-up en volle glazen. Ze hoort bijzondere accenten en vreemde talen. Het is een wereld die haar vreemd is en in bijzonder contrast met het grote, oude huis. Het houtwerk is geverfd in vergeten tinten. Ze herkent de kleuren en heeft er haar eigen namen aan gegeven. Thuis in haar schuurtje heeft ze een boekje met alle kleuren en de verzonnen namen. Ze heeft de kleuren zelf gemengd en weer aangepast, net zolang tot ze helemaal naar haar tevredenheid waren. Polderbruin. Ossenbloedrood. Graangeel. Plotseling verlangt ze weer naar de geur van verf. Authentieke kleuren die ze mengt met krijt om de kleuren lichter te krijgen en het effect zachter. Ze gebruikt speciale technieken om materiaal ouder te laten lijken. Het is anders dan het huis om haar heen. Dit huis is echt oud en het zou een geweldig pand voor haar nieuwe winkel kunnen zijn. Een pand als dit. Het is een droom die alsmaar verder van haar af lijkt te staan.

Minggus had haar gezegd dat ze bij hem in de buurt moest blijven
Ze weet dat hij het meent en ze neemt zijn woorden ook serieus.
Janaila die haar bij zich riep vlak voordat ze samen met Minggus weg zou gaan.
‘Let op hem Zoë, hij heeft het moeilijk.’
Woorden van een goede slavin. Pas op de Meester. De Meester past ook op de slavin, maar Zoë is geen slavin.
Ze wil graag doen wat Janaila van haar vraagt. Ze wil graag doen wat Minggus van haar vraagt. Ze heeft alleen geen idee waar hij is.
Ze vroeg of ze naar het toilet mocht, ze kon het niet zo snel vinden. Door het hele huis zijn lachende en drinkende mensen en ze staan voor alle dichte deuren. Zo groot als het huis is, het toch te vol.
Toen ze eindelijk terugkwam was hij verdwenen.

Nu zwerft ze met een glimlach op haar gezicht door het huis en zoekt ze Minggus. Hij is hier op uitnodiging en kent ongetwijfeld mensen die hij al een tijd niet gezien heeft. Zoë weet het niet. Hij wilde niet gaan. Janaila heeft hem nodig. Zoë neemt het hem niet kwalijk. Het is zoals het is.

Janaila wilde dat hij ging. Het woord van de slavin tegenover de Meester.
‘U moet gaan. Hij is uw neef. U zegt zelf dat hij een leidende figuur nodig heeft. U bent de enige persoon waar hij naar luistert.’
‘Niet altijd.’
‘Maar vaak wel, U moet gaan, met Zoë. Het zal goed zijn, voor ons allemaal.’
‘En jij dan Saya?’
‘Ik red me wel en ik slaap toch het meest van de tijd. Ik heb mijn telefoon binnen handbereik.’
Ze gingen. Minggus onrustig en Zoë opgelucht om de afleiding. Een andere omgeving en andere mensen. Weg uit het huis dat niet van haar is en haar op het moment vooral een eenzaam gevoel geeft.

In de grote woonkamer draait harde muziek met Oosterse klanken. Mensen dansen onder invloed van drank en misschien wel andere geestverruimende middelen. De bewegingen doen haast spastisch aan. Ze ziet Donna. De fotografe die het ouija-bord bij haar kocht en haar beloofde eens langs te komen om foto’s van haar winkel te maken. Ze kent haar niet, maar is toch vreemd opgelucht een bekend gezicht te zien. Donna ziet haar niet, danst op blote voeten naar buiten en Zoë volgt haar. Misschien is Minggus in de tuin.

Buiten zijn nog meer mensen. Een kleine band speelt op een lage verhoging tegen de stenen omheining van het huis aan. Ze spelen populaire nummers. Over het gras ligt een dansvloer van houten vlonders waar mensen dansen.
Plotseling is ze onwillig. Ze is hier met hem. Voor hem, maar hij heeft haar niet nodig. Met hetzelfde gemak waarmee hij haar zegt dat ze in zijn buurt moet blijven, verdwijnt hij uit haar zicht. Misschien wel terug naar Janaila. Omdat het is waar hij wil zijn. Zoë is slechts zijn leerling.
Een dienblad met glazen op hoge voeten zweeft voorbij en overmoedig pakt ze een glas. Zacht-witte vloeistof tintelt op haar tong. Het is Champagne. Ze leunt tegen de verhoogde veranda en trekt aan de sprieterige bloemen van de lavendel. De blaadjes verkruimelen geurend in haar vingers. Ze kijkt naar de mensen op de houten vlonders. Ze dansen met uitdagende en wulpse bewegingen, vloeiend, alsof het vanzelf gaat. Donna ook. Zoë ziet een vrouw die zichzelf nooit zou wegcijferen. Donna zou haar plek opeisen of weggaan. Ze zou zorgen dat ze krijgt wat ze waard is. Een echte Meester.
Zoë schudt haar hoofd. Minggus weet wat ze waard is en hij is een Meester. Een echte. Ze heeft het gezien. Ze weet hoe het zou kunnen zijn. Ze wil het echt weten. Niet uit tweede hand.
Ze schrikt als plotseling een man voor haar staat. Hij steekt zijn hand uitnodigend naar haar uit.
‘Dansen?’
Nerveus schudt ze haar hoofd. Het glas in haar hand kantelt en de champagne slaat over haar vingers. Ze zet het glas op de rand van de veranda. Ze moet Minggus zoeken.
‘Waarom niet?’
Hij kijkt haar vriendelijk aan. Zijn gezicht is natuurlijk gebruind en er ligt een waaier van fijne rimpels rond zijn ogen. Zijn huid is ontsiert huid door kleine littekens. Hij heeft lichte ogen, mosgroen. Zoë voelt haar wangen warm worden.
‘Ik kan niet dansen.’
‘Kan je niet of mag je niet?’ Hij glimlacht.
Zoë stamelt en wil hem een antwoord geven. Ze kan niet bedenken wat.
‘Ik kan het niet … het spijt me…’
Hij knikt.
‘Het geeft niet. Vraag het je Meester en kom dan naar me terug.’
Verward vlucht Zoë terug naar binnen. Haar ogen zoeken Minggus. Ze wil weg. Naar huis. Naar haar eigen huis waar ze kan zijn wie ze is zonder dat anderen haar zien.
Hoe weet die man dat …? Kent hij Minggus?
Weet iedereen wat ze van Minggus is? Maar het klopt niet. Hij is haar Meester niet. Is dat wat hij anderen vertelt? Dat wil ze niet.
Ze gaat via de brede trap in de woonkamer naar boven. Mensen zitten op de onderste treden. Ze heeft eerder mensen naar boven zien gaan. Is Minggus daar ook? Wacht hij tot ze hem komt zoeken. Alleen maar omdat hij heeft gezegd dat ze in zijn buurt moet blijven, een test om te zien hoe loyaal ze is. Een test van hem en Janaila. Ze duwt de gedachten uit haar hoofd. Zo is hij niet. Janaila ook niet. Hij moet een goede reden hebben dat hij wegging zonder op haar te wachten. Hij had op haar moeten wachten.
Boven aan de trap is een brede gang met deuren. Hij leidt naar een smallere gang met nog meer deuren. Het is een kast van een huis. Een droom van een huis. Ze legt haar hand tegen de muur. De Paisley muurbekleding is zacht onder haar hand. Sobere kleuren en ingewikkelde patronen. Klassiek en het past bij het huis zoals alles bij het huis past. Het hout, de kleuren en de meubels. Alles, behalve de mensen.

‘Dag Zoë.’
Zoë is niet de enige die door het huis dwaalt. Ze is blij dat Donna haar herkent. Het huis is van haar en Zoë vraagt met bewondering naar het hoe en het waarom. Ze vertelt haar van de brand in haar winkel.
Donna neemt haar mee naar een kamer. Een doka met lange planken aan de muur en lage bakken op de tafel. Er staan dikke mappen vol met foto’s. Terwijl Donna zoekt vertelt ze haar over een opdracht die ze van de gemeente heeft gekregen.
‘Ik zou je kunnen helpen, misschien wat gratis reclame voor je winkel?’
Zoë hoort de woorden, maar slaat ze niet op. Donna geeft haar foto’s van zichzelf samen met Minggus en Janaila. Samen met Janaila staat ze naast Minggus, haar lichaam en ogen zijn kant op, in vertrouwen. Omdat het is wie ze wil zijn, waar ze wil zijn. Op iedere foto kijkt Minggus naar Janaila. Hij kijkt niet naar Zoë. Hij zal nooit op die manier naar Zoë kijken.
Donna glimlacht. ‘Je mag ze hebben, ik zag hem eerder nog in de schuur, met Seth. Weet jij hoe dat ouija-bord werkt?’
Zoë ziet zonder te zien. Ineens weet ze zeker dat Minggus haar los zal laten, ook als Janaila niet beter wordt. Hij zal haar alleen laten, misschien zelfs al voor er iemand anders is. Janaila is niet alleen zijn slavin. Ze is zijn alles.
Minggus werd ook Zoë haar wereld, maar de draad die tussen hen hangt is dun en lang zo stevig niet als Minggus haar laat geloven. Niet meer sinds Janaila ziek is. Hij verwachte het niet en misschien gebeurde het ook niet bewust, maar het is wel gebeurd.

Ze schudt haar hoofd. ‘Nee, ik weet niet hoe het werkt, in de schuur zei je?’
Ze verdwijnt gehaast. Hij zal haar los laten. Misschien heeft hij haar al losgelaten.

Hij is in de woonkamer en hij is op zoek naar haar. Zijn gezicht is strak en donker. Donkerder als hij haar plotseling ziet. Met grote stappen komt hij naar haar toe.
‘Waar was je. Ik had je gezegd …’
‘In je buurt te blijven en jij verdween. Waar was jij.’
‘Ik hoef jou geen uitleg te geven, jij doet wat ik je zeg.’
Ze voelt zijn onrust. Zijn ogen gaan nerveus door de ruimte gaan en het is of hij iemand zoekt. Zoë weet dat hij Janaila zoekt, terwijl hij weet dat ze er niet is. Het geeft haar een onveilig gevoel. Zijn woorden zijn nog steeds stellig, maar onbetrouwbaar. Omdat hij in zijn hoofd en hart ergens anders is.
Ze doet wat hij zegt omdat het de rol is die zij hem gegeven heeft. Het is een rol die hij niet meer aankan. Niet zoals hij ooit kon.
‘Je moet naar Janaila.’
‘Dat klopt. We gaan.’
‘Ik moet naar huis.’
‘Je gaat met mij mee.’
Ze leunt tegen de houten deurpost bij de keuken. Donna zit aan de tafel en mensen om haar heen. Ze heeft het ouija-bord neergelegd en om haar heen wordt gelachen. Iemand wil het spel proberen en de lichten gaan uit.

Zoë luistert naar Minggus. Zijn stem is kalm en in strijd met de blik in zijn ogen. Die blijft onrustig.
‘Janaila wordt beter, het wordt beter. Het zal weer zijn zoals het was. Dit vraagt veel, van ons allemaal.’
‘Het wordt niet zoals het was, het is veranderd.’
Hij praat door. Overtuigd dat het van tijdelijke aard is. Ze zullen weer naast elkaar staan. Hij staat nog steeds naast haar. Ze weet dat het zo is. Hij staat naast haar. Zoals hij naast Janaila staat.
Zorgen trainen en leren. Janaila zit in zijn hoofd als hij bij haar is en als hij haar traint. De trainingen zijn sessies geworden en komen wanneer hij tijd heeft. Hij heeft geen tijd.

Ze laat hem de foto’s zien en wijst hem op het verschil. Zij is alleen de leerling. Hij is de leraar. Hij is trots als hij haar geleerd heeft wat ze moet leren en als hij haar alles geleerd heeft dan zal hij haar de wereld in sturen.
‘Het is veranderd. Jij ziet hoe de wereld zou kunnen zijn zonder Janaila …’
‘Hou je mond!’
‘… ook als ze beter wordt. Je hebt het gezien en het is niet jouw wereld. Jij kunt zonder mij. Je kunt niet zonder Janaila.’
Zijn antwoord is troostend en eerlijk. Hij heeft haar nooit anders verteld, maar ze heeft heel lang geloofd dat het zou kunnen. Zij en Janaila. Eén Meester.
Ze hoort een andere stem uit de keuken komen. De man staat bij de mensen rond het ouija-bord.
‘Geesten komen niet op een feest. Niet als ze niet zijn uitgenodigd.’
Zoë kijkt naar Minggus.
‘Die man vroeg of ik wilde dansen. Hij zei dat ik het mijn Meester moest vragen …’
Minggus volgt haar blik, knikt en pakt haar hand.
‘Ik ben jouw Meester niet, maar hij heeft gelijk. Je moet het me vragen en het antwoord is nee. Kom, we gaan naar huis.’

Zoë kijkt naar de man. Hij knikt. Het is een gebaar dat dag of tot ziens kan betekenen. Vriendelijk en niets bijzonders. Ze volgt Minggus. Ze volgt hem nog steeds. Hij zal haar los laten, uiteindelijk. Wanneer de tijd rijp is. Hij moet haar los laten.
Maar eerst moet ze leren hem los te laten.

Show Buttons
Hide Buttons